Dossier: Een gedenkteken voor Pieter de la Rue

Begin 1798 besloten President en Raden van Middelburg in het kader van ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’ alle in het openbaar zichtbare wapens en andere ‘ornamenten van heraldie’ te verwijderen. In openbare ruimten waren in Middelburg talloze voorbeelden van gebeeldhouwde en geschilderde wapens te vinden. Alleen al in de Middelburgse Abdijkerken ZI-II-0547kon men op grafzerken en rouwborden vele honderden voorbeelden aantreffen. De publicatie in de Middelburgsche Courant van 13 maart 1798 met de mededeling dat familieleden tot 3 april de kans kregen tegen betaling van drie gulden hun wapenborden op te halen, zal voor veel mensen een bittere pil geweest zijn. Sommigen lieten het voor wat het was, anderen brachten goed- dan wel kwaadschiks hun borden in veiligheid. De rest werd verbrand.

Uit documenten in het Zeeuws Archief blijkt dat een van de mensen die zich hier ernstig over opwond, VOC-bewindhebber Daniel Radermacher was. ZEEUWS MUSEUM, M80-057Deze directeur van het Zeeuws Genootschap was het er volstrekt niet mee eens dat de kerkmeesters een slechts tien jaar eerder in het Auditorium – de huidige Wandelkerk waar eens de Illustre School bijeenkwam – opgehangen memoriebord boven het graf van zijn oom, advocaat en rekenmeester Pieter de la Rue (1695-1770), wilden weghalen. Hier was immers sprake van een openbaar eerbetoon aan één van Zeelands beroemde zonen die met publicaties als Geletterd Zeeland en Staatkundig en Heldhaftig Zeeland de schampere opmerkingen van de Leidse hoogleraar Petrus Burmannus over Zeeland en de Zeeuwen krachtig had weersproken en de prestaties van tientallen provinciegenoten aan de vergetelheid had ontrukt.

Het in 1788 door de familie boven het katheder van de Illustre School opgehangen memoriebord droeg echter De la Rue’s door J. van der Bilt gesneden en P. Snijders beschilderde wapen. Dat dit wapen verwijderd diende te worden, was gezien de tijdsomstandigheden onvermijdelijk. Het bord en de daaronder geplaatste tekst konden in Radermachers ogen echter gehandhaafd blijven. Hij schreef de kerkmeesters op 14 maart dan ook een uitvoerige brief waarin hij verzocht ‘het wapen uijt de Kas te nemen, en dat de Kas mogt blijven, te meer omdat het geen doodlijk aanzien heeft zonder doodshoofden of doodsbeenderen of diergelijke, en dat in plaats van zijn Wapenschild ’s Mans Pourtrait dat onder mij berust daarinne mag geplaats worden’. President-kerkmeester Johan Cornelis Andriessen reageerde binnen een week met een kort briefje. Minzaam ging hij met dit voorstel akkoord en zegde hij toe het portret na ontvangst in de wapenkas te zullen ophangen. In ruil hiervoor liet Daniel Radermacher nieuwe vergulde ornamenten maken voor de orgels in de Franse, de Lutherse en de Oostkerk, die er wat kaal uitzagen nu ook daarvan alle wapenschilden waren afgenomen.

ZI-IV-0154-93Hoe lang bord en schilderij op hun plaats bleven, is onbekend. In 1802 hingen ze er nog. Radermacher beschreef in augustus van dat jaar de hele gang van zaken in een brief aan een van zijn neven. In de loop van de negentiende eeuw werd het memoriebord echter onttakeld en het tekstgedeelte met het opschrift ‘Petrus Ruaeus Medioburgensis poeta et zelandiae litteratae scriptor natus MDCLXXXXV denatus et hic situs MDCCLXX’ overgedragen aan het Zeeuws Genootschap. Genootschapsbibliothecaris Frederik Nagtglas beschreef in de Middelburgsche Courant van 7 juni 1886 hoe de koster van de kerk hem hierop had geattendeerd: ‘Later, toen die eerwaardige gehoorzaal, een bergplaats was geworden van versleten kerkmeubelen en andere onhebbelijke dingen, maakte de koster der Koorkerk, de heer Schutters, altijd een belangstellend en hulpvaardig oudheidsvriend, mij op dat in een hoek geworpen bord opmerkzaam. Ik verkreeg het voor het Zeeuwsch Genootschap, en na schoongemaakt te zijn, ontving het eene plaats onder het geschilderd portret van De la Rue.’ G1633 De lege kas was blijven hangen, op een negentiende-eeuwse foto is deze nog te zien boven het katheder van de Illustre School. ZI-II-0566In later jaren is ook die verdwenen.

Wanneer Nagtglas het tekstbord in handen kreeg, vermeldde hij in zijn artikel niet. Waarschijnlijk was het in of kort voor 1859. In dat jaar pleitte Nagtglas, die het levenswerk van De la Rue voortzette in Levensberichten van Zeeuwen in een Genootschapsvergadering voor de oprichting van een nieuw gedenkteken voor deze ‘handhaver der Zeeuwen eer’.

Het is er nog steeds niet van gekomen.

Katie Heyning

Bronnen: Zeeuws Archief, Familiearchief Schorer, inv.nrs. 543 en 544.

Gerelateerd

Portret Pieter de la Rue

ZI-IV-0756

Gedenkbord Pieter de la Rue

G2604

Grafschrift voor Pieter de la Rue

Hs 2649

Levensbeschrijving Pieter de la Rue

Hs 3459

Gerelateerd

Daniƫl Radermacher

Frederik Nagtglas

ZI-IV-0154-93

Gerelateerde dossiers

De tentoonstelling van 1913

Eens dekte deze steen een graf

Gek op schelpen