Dossier: Gek op schelpen

Het verzamelen van schelpen was vanaf de eerste aanvoer van koralen en grote nautilusschelpen in de vijftiende eeuw populair. Eerst waren de stukken zo zeldzaam dat ze alleen in vorstelijke verzamelingen terechtkwamen, maar naarmate de handel op Oost en West toenam, kwamen dergelijke stukken ook bij de burgerij terecht. In de achttiende eeuw waren overal in Nederland kabinetten vol zeegewassen, mineralen en schelpen bij leden van de gegoede burgerij te vinden. In Zeeland bezaten regenten als G1555Caspar van Citters en Anthony Pieter van Dishoeck grote verzamelingen. In 1734 lagen in de woning van Van Citters (G1555) in de Wagenaarstraat 1 in Middelburg bijna 3000 schelpen, mineralen en fossielen in een speciaal hiervoor bestemd kabinet van schildpad.
Van Dishoeck liet in 1767 bij zijn overlijden 832 schelpen na, die in de veilingcatalogus keurig beschreven worden. Hun namen klinken als een klok: pausekronen, stormhoeden, goudlakens, trommelschroeven, marmerpriemen, lazarusklappen, tepelbakken enzovoort.
Het achtdelige werk van Friedrich Christian Meuschen 1044 C 6uit 1766-1773 geeft een mooi overzicht van al deze namen (1044 C 6). Men gebruikte in die periode nog de aanduidingen van Rumphius en Valentijn (G.E. Rumphius, D’Amboinsche Rariteitkamer, Amsterdam 1705 en F. Valentijn, Verhandeling der zee-horenkens en zee-gewassen in en omtrent Amboina, Amsterdam 1754). Pas later ging men de systematische publicaties van de Zweedse plantkundige Carolus Linnaeus volgen en veranderden de benamingen.

Genootschapslid Job Baster (1711-1775) was een andere Zeeuwse enthousiasteling op dit gebied. Baster werd geboren in Zierikzee en vestigde zich daar na zijn medische opleiding in december 1732 als geneesheer. In 1734 trouwde hij met Jacoba de Kok met wie hij op Havenpark 35 ging wonen. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1741 met Jacoba Vink. Ook hij bezat een grote verzameling schelpen, koralen, versteningen, houtsoorten en zeegewassen, waarover hij met diverse geleerden in Europa correspondeerde. Daarnaast maakte hij als liefhebberij eigenhandig composities met behulp van de schelpen in zijn collectie.

Objecten opgebouwd uit of beplakt met schelpen waren in de achttiende eeuw in heel Europa geliefd. Volgens de veilingcatalogus die in 1767 na zijn dood werd opgesteld, bezat ook Anthony van Dishoeck dergelijke objecten. Onder de rubriek Rariteiten staan daar ‘twee ongemeen konstige bouquetjes, gemaakt van de alder-klijnste Speculatie-Hoorentjes en Schelpjes’ en ‘Twee fraaije Grotjes, gemaakt van dito als vooren’. Ook bewindhebber van de West-Indische Compagnie Daniël Massis (overleden in 1770) had naast een kabinet met naturaliën, waaronder diverse laden met ‘schoone schulpen, hoorns en zeegewassen’, een ‘levendig bouquet van schulpjes gemaakt’. G1654De Middelburgse geneesheer dr. Paulus de Wind (G1654) bezat in 1771 zelfs ‘twee leeuwtjes, van schulpen gemaakt’. Niet iedereen zal ze zelf gemaakt hebben, dergelijke objecten waren gewoon te koop.

Een van Basters zelfgemaakte objecten was het grote buffet dat in het ‘voorsalet’ van zijn woning stond. Hij moet er vele uren aan besteed hebben. In een brief van 5 maart 1773 liet Baster het Zeeuws Genootschap dan ook weten zijn zelfgemaakte buffet ‘met zeer vele raare en ongemeene hoorens in eene byzonder smaak geschikt’ waarop ‘van schulpjes gemaakte mannetjes, vogeltjes, bloemen’ (G2158) stonden aan het Genootschap te willen nalaten. G2158Twee jaar later werd het in speciaal daarvoor gemaakte kisten naar Vlissingen overgebracht, waar het in de Genootschapsvertrekken in het Heerenlogement in de Breewaterstraat werd opgesteld. Tegenwoordig is het terug in Zierikzee en in het Stadhuismuseum voor iedereen te zien.

Naast het Zeeuws Genootschap werden ook andere genootschappen door Baster met legaten bedacht. Zijn herbarium met ongeveer driehonderd gedroogde planten is nog steeds in het bezit van de Linnean Society in Londen. Aan de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen in Haarlem liet hij ‘drie schilderijtjes of liever hangende kasjes met vreemde vogelen, capellen en andere fraeije insecten seer cierlijk geschikt, waarvan één met grotwerk, benevens nog een seer groote glase klok met deszelfs voet en gesneede Deksel en in deselve Twaalf Chineesche Goudvisschen’ na. De goudvissen zullen het niet gered hebben, waar de ‘schilderijtjes’ - die hij waarschijnlijk zelf gemaakt had - zijn gebleven, is onbekend.

Op de webpagina bij dit record in de Collectie Online is te zien welke schelpen door Baster in zijn buffet werden verwerkt.

Katie Heyning

 

Gerelateerd

Schelpenbuffet

G2132

Twee vogeltjes van schelpen

G2158

Gerelateerd

Job Baster

Gerelateerde dossiers

De tentoonstelling van 1913

Een gedenkteken voor Pieter de la Rue

Eens dekte deze steen een graf