Dossier: De invasie van het Mogolse rijk in 1738

Verhandeling concerneerende de invasie van den Persiaansen koning Nadircha in het Mogolse rijk gedurende de jaren 1738 en 1739, zijne huijshoudinge in de hoofdstad Dhilly, mitsgaders desselfs depart na Persien: ter ordre van den E.E. Agtbare Hr. Joan Albert Sichterman directeur der Bengaalse directie uijt de successive aengekomene en in de Persiaanse taal geschrevene nouvellles ens.; geexcerpeert. –

Thamas Coulichan van geringe geboorte zo men zegt uijt Harders gesproten en onder dezelve opgevoed, hadde tot mannelijke jaren gekomen zijnde, zig tot hoofd van eene bende waaghalsen opgeworpen, en door eenige stoute ondernemingen zijnen naam bekend doen worden, en Rijkdommen verkregen. Nadat hij nu het ambagt van een Rover geduurende den tijd van zeven Jaren waargenomen hadde, en de hem volgende troup tot een getal van Vijfduyzend mannen aangegroeijd zag zo begon hij aanslagen van groter gewigt in zijn breijn te smeden, en sloeg dierhalven den weg in [2] na de Persische provintie Mazadran, aan de Caspische zee gelegen, werwaarts den Persijaansen Koning Silach Herseem toen de rebellige Agwanen ’t gansche Rijk overstroomde, zijnen zoon Thamas, als in een verzekerde plaats gezonden hadde. De Persiaansen Koning evengenoemd zedert gestorven zijnde, zo diende zig Thamas Coulichan bij ged. Prince Thamas aan, en presenteerde hem zijne schatten, zijnen dienst, en die van zijne bende, tegelijk verzekering doende, dat hij hem op den Throon van zijne voorouderen herstellen of zijn hoofd zoude verliesen indien de onderneming niet gelukte: mits dat bij het tegendeel, namentlijk, zo wanneer hij Prince den Persischen Throon zoude beklommen hebben, hem tot zijn eerste Minister zoude verkiezen. Alle het welke bij den jongen Vorst aangenomen wezende, zo nam Thamas Coulichan tot een blijk der genegentheijd voor hem die naam aan, ’t welke in de Persiaansche taal, Slaaf van Thamas betekend, daar hij van te voren Nadircouli, dat is Uijtmuntende Slaaf genoemd wierd, voorts vergaderde hij eene formidable krijgsmagt, verjoeg daarmede de rebellen van Mached, veroverde de Stad Herat in de Provintie Mazadran, gelegen en bragt het Hoofd van dies Stadvoogd als een zegeteken bij Thamas. Hij belegerde wijders met zijn overwinnende armée, en maakte zig meester van de Rijkstad IAspahan, verdreef de Agwanen die bijna geheel Persien overweldigt hadden, en zette den Prince Thamas volgens zijne beloften op den Throon van zijnen Vader. De Persiaanse monarchije zedert met het Ottomannische Rijk in oorlog geraakt en Thamas Coulichan het Persische leger als Veldheer gebiedende, herstelde hij door zijne dapperheijd de vervallene zaken der laatste heerschappije vercierde hij zijn hoofd met krijgs-Lauwrien en noodzaakte de Porte haar grensen in te trekken [3] mitsgaders een gantsch nadeelige Vrede met hem te sluijten. Zig middelerwijl in een grote agting en genegenheijd onder de Krijgsmagt geraakt hebbende, zo ondermijnde hij allengskens de opperheerschappije met den Koning Thamas eerst allerwegens in de Regeering de handen te binden en hem naderhand, onder protext van desselfs onbequaamheijd tot de Regeering, publicq van den Throon te bonsen, die hij, zo men spargeert, kort daar na, benevens het geheele Koninglijke geslagt van Persien gelijk mede een groot getal der voornaamste Heeren die hem verdagt waren van het Leven deed beroven, verwisselde teffens den naam van Thamas Coulichan (die met voormelde zijne behandelinge ook weijnig overeenkomst hadde) in die van Nadircha, iets zeldsaams, en deed op de Geld specien het volgende op schrift stellen: De Koning zonder weerga. De Heer der Vier Gewesten des Waerelds,

Men zegt van hem dat hij sterk van Lighaam, onvermoeijd, en aan de fatiquies gewend is: dat hij voorts eene weergalose presentie heeft, seer staatkundig en Loos is, dat hij een grootmoedig en regt verheve ziel heeft, zijne bende in een scherpe krijgstugt houd, en de begane misdaden seer streng straft, dog eenigermaten tot de Vrouwen en den Drank genegen is, dat hij wijders een groot beminnaar van de geregtigheijd en een Vijand van alle valsheijd is; dien aangaande verhaalt men, dat hij in ’t bespringen der muuren van zekere stad van agteren tusschen de schouderen door een zijner Lijfwagten gekwetst geworden zijnde, hij de Tulband van zijn hoofd genomen zig daarmede ten beste mogelijk verbonden en voorts den strijd vervolgd hadde, dat hij na ’t vermeesteren dier plaats in zijn Leger terug gekeerd en zijne kwetsure hebbende doen verbinden, na den geenen [4] gezogt hadde door wien hij gewond was geworden, en dat hij hem niet kunnende ontdekken zijne gantsche Lijfwagt uijt seshondert mannen bestaande, hadde doen massacreren.

Nadircha nu na ’t bekleeden der voornaamste Staats en Krijgsampten op den Persischen Throon geklommen zijnde kon niet rusten voor en al eer hij van de Vijanden des Rijks, namentlijk de Agwanen wraak genomen hadde, ten dien eijnde vervolgde hij dezelve tot in ’t harte van hun Land de Provintie Chandhaar, die een vrij sterke stad heeft van die naam aan de zoom van den Vliet Ilment of Hindmend gelegen.
De Gouverneur dier staten zig met zijne krijgsmagt tegen de geoeffende Persiaansche benden in ’t veld onbestand oordeelende, besloot om zig in zijn Hoofstad te verdeedigen die hij ten dien eijnde van alles wat tot eene belegering vereijscht wierd, hadde doen voorzien.

Nadircha het omleggende Land onder zijn gehoorsaamheijd gebragt hebbende, ondernam de belegering van ged. Stad, en na dezelve bijna een geheel jaar met zijn [leger] gebeukt en op verscheijde plaatsen aangetast te hebben zo maakte hij zig eijndelijk stormenderhand meester van die plaatsen gevolglijk van de gantsche provintie; Den ongelukkigen Landvoogd bij die gelegentheijd gevangen genomen zijnde, wierd onder een geleijde van vijftien hondert ruijters naar Ispahan gezonden. Voorts gaf den overwinnaar ordre om het Casteel te slegten en een nieuwe sterkte in het Landschap Naderabaadh van onzen Koninglijken Veldheer eene ongemeene vreugde in hem veroorsaakt hebbende, zo wierd hij te rade zijne onderdanen deselve deelagtig te [5] doen worden bij een brief aan den Stadvoogd van Ispahan geschreven met verdere Last om dies inhoud alom bekend te maken, en welke missive, waar van men een afschrift bekomen heeft, een omstandigen ditail dier verovering behelsd, en waar in teffens een schets van ’t verheven gemoed van onzen held kan worden gezien: Luijdende denzelven uijt de Persiaanse in de Nederduijtsche taal overgezet zijnde aldus:

Translaat koninglijke Regam (:bevelschrift:) door zijne Majesteijt Nadircha uijt Candahaar aan den Gouverneur van Ispahan zekeren Hattembeecq gesz. mitgad. dies Copia door Comp. bediendens aldaar herwaarts gesonden p: twee daer ’t huijs hoorende Coopers Cassoem en Ewas en waer mede alhier den 6: Maij 1738 ontfangen

In den name des grooten Gods, voor wien ik vreese
Daar werd een gebod gegeven dat den Gouverneur van Ispahan Hattembeecq, sig volkomen van s’Konings gunste verzekerd houde, en weete dat door Godes zegen van den dag af, dat dit uijtmuntende Koningrijk mij ten deele geworden is mij met demagt en kragt des Allerhoogsten sodanig on [6] dersteund en mijnen arm so kragtig bevonden hebbe, dat alle Casteelen en sterktens volgens sijn Eeuwig raadsbesluijt niets bij mij sijn geweest, en overal waar mijn Koninglijke gesigt gewent hebbe debergen voor mij als een stroohalm en de zee als een valeije sig vertoont en door mij gemaakt geworden zijn.

De inwoonderen van Candhaar geduurende de eenjarige belegeringe dien plaatsen naar volgens ’t in den Alcoran […] gegeven Goddelijk bevel steeds verzogt en geraden hebbende, sijlieden van hare bose wegen, en quade rebellien aflaten en haar onder mijne gehoorsaamheijd begeven wilden, dog zij hebben door haar aangeboren quaden aart , en haar hartnekkigheijd en slinkse paden, met sig op de sterkte hares Casteels, ronduijten en meenigte van volk verlatende, haar hoofden als een partij swarte Ravens met schreeuwen, en winderig geluijt verheven, en mijne gedane vermaningen met bespottinge verworpen, bespeurende dat sij […] naar mijne heijlsame vermaninge en raad volgens Goddelijk bevel niet wilden luijsteren maar in hare boosheden meer en meer verhardeden, so hebbe eijndelijk mijn gedagten om hare sterkte te veroveren gaan laten, en mijn volk bij den anderen geroepen ordre gegeven, om den storm aan de punt Sangie genoemd en verdere ronduijten op den berg gelegen digt bij de punt Deda aan te voeren; Naar dat mijn volk de gem. punt Sangie verwoest hadde hebbe mijn stukken en mortieren daar op geplaatst en steeds daar uijt als een gestadige donder en Blixem op haar gespeeld, sonder eenige tussen posinge 15 dagen lang of tot den 3e der maand Sjehejed Tulharoem (dat is volgens onse tijdrekening op den 23 maand) als wanneer al mijne soldaten ordre gegeven hebbe om ’t Casteel stormendenhand aantevallen, en mijne stukken en mortieren regt op de punt Deda aan te planten en speelen laten, inmiddens diekant aan de Bagtiarische Landgenoten om aan te vallen aanbetrouwt hebbe, welke menschen door de kragtigen arm GODES ondersteunt, man [7] moedig op die sterkte los gegaan, en met een Leeuwen moed aangevallen zijnde, hebben gem sterke punt Deda eerder als een van alle andere natien mijner soldaten verovert en also dese tijdinge niet anders dan een grote blijdschap, vreugde en vergenoeginge aan de welmenende dezes rijx kan verschaffen dewijl altoos hare oogen uijtgesien en verlangt hebben dese mare te mogen horen, weshalven hebbe ik Mhamed Aliebeek stokkedrager van dese Masalis, die gelijkvormig ’t Paradijs is, met dese overaangename blijde tijdinge als Sjappaar (:looper:) afgevairdigt en dewijl het altoos van ouds het een gebruijk is, dat in alle Landen, en steeden, bode, brood, geld, bij ’t ontfangen van een aangename tijdinge gegeven werd, maar dewijl mijne trouwe onderdanen mij reeds 3 jaren bevorens met alle haar kragt en magt in ’t schieten van penningen bijgestaan, en mij noijt verlegen maar steeds met extra gelden op te brengen, naar vermogen geassisteerd, en daar door lang geleden het boden loon aan mij voldaan hebben, zo kome ’t selve aan haar thans te schenken; willende dat grote en kleene dese blijde maar horen, en dit Regam (.bevelschrift.) voorgelesen werden sal, ook dat van eijgen gelden 12. Homans in Contante penningen, en een eeren kleed aan brenger dezes zal werden vereerd, sonder dat de omwoonderen een penning hier toe sullen hebben te contribueeren; moetende dese mijne ordre naar Arisa Cougiloen, en alle andere plaatsen digt bij Ispahan gelegen, gesonden werden, opdat ook de ingesetenen dier landen deelgenoten van dese blijde tijdinge wesen en verders hare hope, vermeerderen mogen terwijl dit Regam (:bevelschrift:) in waarde en agtinge moet gehouden werden.

Geschreven den 4 maand Sjehejed Tulharoem des jaars 1150 overeenkomstig met den 24 maart 1738 (:op de kant stond:) ook ordonneeren dat dewijl de Illuminaten [8] niet anders dan tot ruine en schade der arme onderdanen strekken, deselve niet en sullen mogen geschieden, maar ontsla haar daar van volkomen en zullen alleen de bazuijnen geblazen, en de Trommeltjes op de Koninglijke wijze moeten geslagen worden (:onderstond:) aldus volgens opgave van tComp: Persiaansch schrijven uijt de Persiaansche en naar beste kennisse in de Nederduijtsche tale overgezet door
(was getekent:) Sn Clement (:lager:) Accordeert (:getekent:) Jb Carelsz: Gesw EClercq.

Het is onzeker of Nadircha tegen de rebellige Agwanen te Velde trekkende, tegelijk een besluijt nam om na ’t onderbrengen denzelve, zijne overwinningen in het Hindostanse Rijk voort te zetten, dan of hij na ’t vermeesteren van Candhaar, zig op de Grensen der Mogolse heerschappije bevindende, en door brieven van diverse malconten Amrauwen (:Rijksgroten:) daar toe aangezogt wordende, dat project gesmeed heeft ten eijnde het Persische Rijk te wreeken van de verongelijking door de Mogolsche Monarchen daar aan betoond en de pretensien te vorderen die de Persiaansche Kroon op die der Mogolders hadde, en waar van in het vervolg nader staat te werden gesproken, hoe ’t ook zij het besluijt was bij hem genomen om zijne Wapenen in ’t Land van den Groten Mogol te voeren. Eene monarchije die geduurende een grote reeks van Jaren het geklank van uijtheemsche Wapenen niet vernomen hadde, de oorzaak was dat de inwoonderen in eene algemene zorgloosheijd en verfoeijelijke verwijfdheijd vervallen waren, mitsgaders dat de Krijgskunden door een Langdurige weelde verwaarloost en in veragtinge geraakt was. Dat [9] geweldig groote Rijk wierd tans beheerst door den Koning Mhametcha, uijt het doorlugtig geslagte van den grooten Tamerlan gesproten, en was de zestienden welke na dien befaamden overwinnaar den Mongolsen Throon beklommen hadde, zijn Vader was een Prins Jehaancha genaamd, die weder een zoon was van den Koning Cha Alem of Badurcha, en de Vader van deze was den berugten Aurengzeeb; Mhametcha voornoemd wierd nog zeer jong zijnde, na ’t overlijden van zijnen voorzaat (:den Koning Ressieulkedder:) op den Mogolsen throon geplaatst. De vrouwen, onder dewelke hij in ‘t Serail was opgevoed, hadden zijn jeugd bedorven en verwijfd doen worden, egter was hij deugdzaam van een al te goed aardig naturel ’t geen veeltijds zo verre ging, dat hij een strafwaardige niet dan met weerzin ter dood veroordeelden. Hij bezat de grote kennisse van Regeeren niet en zijne Handen waren veel te swak om den teugel van zulk een grote heerschappije te bestieren, zulx was ook de oorzaak dat alles in ’t wilde liep, en dat de Amrauwen (:Rijxgroten:) allezints den baas speelden, mitsgaders dat de Rebellen en onder dezelve voornamentlijk zeker Basirauwd, vergezeld van eenen hoop Zuijdlanders (:Merlettas:) dermaten stout maakte datze zomtijds tot voor de poorten van dhilly quamen stropen, en verre van dat Mhametcha op ’t spoor zijner voorzaten de oproerige met het swaard zoude verdelgen zo beschonk hij dezelve om hen nog stouter temaken met kostelijke eerekleederen.

De Persiaansche Koning Nadircha middelerwijl voorziende welke een reex van ongemakken hij zijne benden zouden doen lijden, bij aldien hij ondernam dezelve in ’t Hindostanse rijk te voeren door [10] ’t woest en bij na ontoegankelijk gebergte dat de Persische en Mogolse Heerschappijen van elkanderen scheijdt en onder den naam van ’t gebergte Solimans bij ons bekend is, zo was hij op de middelen bedagt, om ware het mogelijk op een gemakkelijke wijze in ’t gem. Rijk te komen, en ten dien eijnde met de Pathanen, die ’t even ged. gebergte bewonen geraadpleegt en hen door milde geschenken in zijne partij overgehaald hebbende, zo namen dezelve aan om ’t Persische Leger door eenen onbekenden en niet moeijelijken weg in de provintie Cabul te brengen.

Dat Landschap, zijnde, het uijterste van ’t Mogolse Rijk aan de zijde van Persien, en grensende ten oosten aan het overweldigde Candhaar, was van een tamelijke sterke stad, insgelijx Cabul genaamd voorzien, en tans wierd die Provintie van wegen zijn Mogolse Majesteijt door den Souba (:onderkoning:) Nasirchan geregeerd, die het hem nakende gevaar van die kant van Candhaar ziende opkomen, zijn gedagten liet gaan om zig in staat van tegenweer testellen en dat onweer aftewenden, overzulks gaf hij aan zijn Koning Mhametcha niet alleen kennisse dat de hem aanbetrouwde Provintie door de Persische wapenen stont te werden aangetast, maar teffens dat hij zonder een merkelijk onderstant, de Vijanden wederstaan nog zijne provintie zoude kunnen verdedigen. Het welke bij de Mogolse Koning zo dra niet verstaan was of hij lied aan ged. Landvoogd eene aanmerkelijke somme gelds toekomen om een aanzienlijk Leger op de been te brengen, en met het zelve den Persische Vorst den verderen indrang in zijne Heerschappijen te betwisten. Den Souba meerm. zig nu van de nodige penn. [11] voorzien vindende verzamelde binnen korte tijt een talrijk hair, en niet anders kunnende denken of de Koning Nadircha stond hem door het gebergte op tekomen, zo deed hij allerwegens de passagien bezetten langs welke hij meende dat men in zijn Provintie konde dringen, maar den Persiaanschen Monarche, aan wien gelijk gezegd is, door de Pathanen beloofd was datze hem door een onbekend pat in Cabul zouden brengen, met zijn leger onverhinderd in dat Landschap gekomen wesende, zo overviel hij den Landvoogd Nasirchan, terwijl denzelven door een ongegrond bertrouwen op zijn bezette toegangen zorgloos geworden, den tijd met gastereeren en speelen doorbragt, maakte eene ijselijke slagtinge onder desselfs troupen, en een groot getal gevangene waar onder Nasirchan mede gevonden wierd, die egter bij den overwinnar gebragt zijnde door hem in vrijheijd gesteld en als een Vriend onthaald wierd gelijk zulx ’t een en ander nader kan werden beschouwt bij den volgende brief door zijn Persiaansche Majesteijt wegens deze overwinning aan zijnen zoon Nassurulla Miersa geschreven, welke door zijnen Vader tot Regent van de Persische monarchije was aangesteld, luijdende denzelven in de Nederduitsche taal aldus.

[12] Translaat
Persiaansche Regam (:koninglijke bevelschrift:) door zijn Persische Majesteijt Nadircha uijt Bresiahpoer in ’t Hindostanse rijk op zijn middelste Zoon genaamd Nasurulla Miersa verleend, en aan denzelven Sjappaars (:lopers:) toegesonden

In den name des groten en barmhartigen Gods
Werd een bevel gegeven dat de geheele Waerelt zal hebben te gehoorsamen op mijn lieven en waarde Zoon zijn Exellentie Nazsurulla Miersa den welken sig van mijn Koninglijke gunste en genade volkomen versekerd houden kan, en weten dat men een vast vertrouwen op den Almagtigen God , denwelken mijn steunsel, en sterkte is en waar op bouwde ik des Dingsdags ’s morgens , den 12e van de rustplaats Alie Bakka 2 mijlen van Jillaal Abat gelegen opgebroken en met het gantsche gros van ’t leger des middags binnen Bariek Alb. gearriveerd, en van waar eenig manschap met mij mede genomen, en met haar 2 dagen en 2 nagten mitsgaders 2 uuren van den derden dag stappaars gewijse (:met sterke schreeden:) gemarcheerd hebbe, als wanneer tot Himroed 3 mijlen aan dees kant Bie Sjahpoer gelegen gekomen ben, en vernam dat Nasircham met alle voor [13] naamste generaals en mindere bevelhebbers van het Hindostanse Leger haar met speelen en gastereeren in hare tenten vermaakten, weshalven ik haar ten eersten plotselings overviel, en op ’t onverwagste verraste, daar door veele opstonds, ter neder gesabeld en een menigte gevangen bekomen, terwijl alle hare bagagie, paarden, &c ten buijt aan de soldaten gelaten wierd bestaande de gevangene omtrent in 8 à 9000 man en waar onder haren Veldheer Nadirchan en veele andere groten geteld werden zijnde de rest van ’t Leger geheel ter neder gesabeld op Drie à Vierhondert man na, dewelke haar op het gebergte gesalveerd hebben, zullende alle de verdere omstandigheden des krijgs en hoe ’t sig toegedragen heeft mondeling de Sjappars Mhamed Ibrahimbeecq en Sessie Chanbeecq mienbatjes (:hoofdmannen over duijsenden:) relateeren moetende uw Exell. op den ontfangst en sigt dezes regams ten eersten de basuijnen blasen en trommelen laten roeren item alle mogelijke vreugde bedrijven, mitsg. alle hooge en lage officieren hier van de weete doen laten, op dat een ider met mij den groten en Almagtigen God voor de genade dezer grote victorij danken en loven mag.

Dit Orgineel Regam moet naar lecture so als ’t selve is aan zijn Hoogheijd Dioen Coelibeecq overste standaart drager deze Legers tot Jellaal Abaat ter lesinge, en door wien ’t selve verder naar Cabul aan zijn Hoogheijd Imoem Werdichan die dat wijders zijn Hoogheijd Assjerass Sulthoen, Gouverneur van Elmoenie, Caldaat en Chasneijn senden moet, zullende den laatsten hebben te versorgen dat ’t selve ten spoedigste aan mijn waarde en Lieve Zoon Resa Coeli Miersa, Viceroy van ’t Persische Rijk weder inhandigt, op dat hij mede van dese mijne victorij niet onkundig sij moetende door Uwlieden gesamentlijk stipt naarvolgens luijd dezes Regams gehandelt, ’t ge [14] ordonneerde agtervolgt en in waarde gehouden werden.

Geschreven den 14e den maand Sjahoen ul Mhasoem des jaars 1151 of volgens onse stijl den 28e 9ber: des jaars 1738 (onderstond:) aldus volgens opgave van den persiaanschen schrijver Camber Alie uijt de persiaansche in de Nederduijtsche tale naar beste kennisse overgezet door (:was getekt:) Sr. Clement (:lager:) Accordeert (:getekent:) Jb. Carelsz Gesw: EClerq.

Onsen Koninglijken Veldheer door de vermeestering der geheele provintie Cabul en vertrouwen op zijn Wapenen verkregen hebbende, gaf hij een scherpe brief aan den Mogolsen Monarch Mhametcha kennisse van zijnen komst, mitsgad. teffens welke de redenen daar van waren, en alhoewel men geen afschrift van dien brief is magtig geworden, zo heeft men al egter uijt geloofwaardige berigten ervaren dat denzelven in substantie behelsden.

Dat hij met een grote magt was afgekomen, om onder zijne gehoorsaamheijd te brengen de landen aan de persiaanschen kroon behorende volgens het gemaakte Contract tusschen de Konignen Sa-ab-Baas en Homaijoen, door de Mogolse monarchen tegens het gem. Verbond in bezit genomen en zedert behouden. Dat hij reeds met verlies van veel volk en tot sware kosten Candhaar en Cabul nevens de daar onder gehorende Landen had vermeesterd, daarbij mitsg. begeerde dat Mhametcha zijn gebied tot aan Jerhind (:de rivier de Indus:) de oude grensscheijding der twee Monarchijen zouden intrekken onder bedreijging dat hij niet alleen van ’t geene bewesten die plaats legt bezit nemen maar ook naar Dhillij komen zoude om volgens het geen gekroonde hoofden aan elkanderen verpligt zijn, den Koning in [15] het herstellen van het groot verval in zijn Rijk instaten bijstand te doen en dus weder tot hun pligt en gehoorsaamheijd te brengen dien grooten hoop van ongehoorsame en naar eijgen goeddunken levende Amraruers en Soubas, mitsgads de ongebondentheijd der Zuijdlanders rebellen (:Merhettas:) te beteugelen die zedert een geruijme tijd in het Hindostaanse Rijk veel opschudding gemaakt en veel ongeregeltheden bedreven hadden daar dezelve in vorige tijden het hooft eenigsints opsteekende door ’s Konings bevelhebberen wierden gestraft en verstroijt.

Met welk een verontwaardiging dien stouten brief door zijn Mogolse Majesteijt ontfangen en gelezen zij, zal men ligt kunnen nagaan met in overweging te nemen dat Mhametcha de Persiaansche monarchije aanzag als een gebied dat door de mildadigheijd der Koningen zijnen voorzaten weggeschonken en dus alleen door toelating der Mogolse opperheerschers onafhankelijk was geworden en door zijne eijgene vorsten geregeert wierd. Voorts dat hij Nadircha wel verre van hem voor Koning van gedt Rijk te willen erkennen, als een Usurpateur der Persische Kroon beschouwde, mitsgads als een trouwlose schender zijner verschuldigde gehoorsaamheijd en die op een snode en ondankbare wijze de van zijnen Koning genotene weldaden beantwoorden en om zijne laage geboorten onwettig was Ambassadeurs of brieven aan hem te zenden; des onvermindert schreef hij een zeer trotsch antwoord aan den Persiaanschen Vorst - vervattende onder andere een reex van hoogmoedige dreijgementen een romanicque beschrijving van zijne Krijgstoerusting en der Conquesten die hij met zijne enorme Legers meende te maken, welken brief als zijnde een Levendige schets van de rodomantades der [16] oosterlingen en de opgeblazentheijd der Mogolse Koningen wel waardig is alhier te werden geinsereert: en is overgezet – zijnde van den volgenden inhout, namentlijk

Translaet Copia Persiaansche brief door den Konig Mhametcha aan den usurpateur van ‘t Persische Rijk Thamas Coulichan geschreven.

Schender der weldaden van zijn eijgen wettelijke en wereldlijke heer en meester, ondankbare en onwaardige, verwagt den toorn en straf van God en den slag van den Koninglijke ongenade, en weet

Dat ’t Aarsdaaft (:smeekschrift:) van den voorganger der ongelukkige en voornaamste der onbeschaamde, trouwelose inhoudende de afhandelingen der zaken van de Persiaanse landen het inwadeeren en destrueeren der Turkse landschappe het allieeren met dier keijser, de afscheijdinge van mijn zoon Abaas Mirsa in ’t overgeven van ’t bewind des Rijks in handen van dien verzaker der Weldaden, en quaaddoender zijner voorneming na Kendhaar, om dat Casteel te belegeren, den bewaarder van Kendhaar van daar te drijven, en versoek van assistentie en hulpe van de bedienden van mijn hemels verheven hof, om wanneer de afgaande geen tegenstand kunnende doen betragting mogte maken hun toevlugt tot mijn s’werelds beschermende Landen te nemen de Viceroijen van Kabul en Multaan niet zoude permitteeren toegang tot de grensen van Hindostan, want ‘t Leger der Kezelbassen dien hoop najagende, en (dat God niet begeere) eenige schade aan [17] dit beschermt Land komende, niet dan door verzuijm en onagtzaamheijd van mijn dienaren zoude wezen met betuijging van zuijvere bereijdwilligheijt en verzekering van gehoorsaam en onderdanigheijd met zendinge van en ’t gedragen aan Mhamet is Laanchan Astejelloe, is aan mijn hemelagtige hof aangekomen en ter kennisse van de voor de gelukkige Agtbare en HoogEdele presentie van mijn staande dienaren gebragt.

Zijt dan niet onbewust nog onkundig dat den almogende en Heijlige God, in de beginne der Scheppinge en de voortkoming der Wereld, het propheet en Koningschap uijt zuijver Ligt geschapen heeft dat de propheten en gezanten degeenen zijn, die naast aan zijn weergadelose en heijlige Troon de uijtverkorentheijt verkregen hebben naar Luijd van de heijlige woorden: voorwaar God heeft uijtverkoren Adam, Noach, de kinderen Abrahams, de kinderen Onimer, en verheerlijkt boven alle de weereldlingen, en de koningen en princen diegenen, die dat Majesteijts bevel van de Koningen, zijn de schaduwe Gods gegeven en in de deelen der wereld daar toe gesonden zijn volgens die gunstige woorden: Ik heb de koningen aangesteld op de waereld om te heerschen en bestieren de werken Godes, en ook

Van God hebben de propheten bevel tot bestiering van de Wet en ’t Geloof
En aan de koningen gunstig inhandigt ’t bezit van de waereld van Arel tot Ajem
Hij heeft de wereld voeders vereend met de koningschap en de Dentitul van Gods schaduwe

[18]Twee namen zijn er op de Zeven ringen dat is Koning en Propheet
De Koningen zijn ’t Cieraad en aanzien van de waereld
Want buijten koning is de waereld een lighaam sonder hoofd.

Ider vlieg te willen vliegen als den koninglijke valk nog alle ongeluks vogels den Uijl te willen navolgen den paradijsvogel, sonder voorgaande kennisse daarvan te hebben is niet betamelijk, nog ider spruijtje is bequaam uijt te leveren, koninglijke paarlen, nog ook ider steen om te voeden den glansigen Saphier.

Zijnde mij ter ooren gekomen, dat dien schendigen trouwelosen, mijn broeder Thamas Mirza en mijn zoon Abaas Mirza door bedrogen verraad in den omtrek van Mazaideraan gearresteerd, en onder verzameling van eenige eerlose landlopers, de stempel van den persiaansen bodem op eijge naam heeft laten slaan, met den Keijser van Turkijen, door behulp van den ontrouwe en weldaad van waardigen Ahmed Basa, die tot Bagdaad van wegens den Turksen Keijzer daar gesteld en zodanigen schender en trouwlosen van zijn eijgen meester als gij zijt was uijt vrees van verderf, accoord aangegaan, en uw ontsag tot eijgen bevrijding geagt heeft, waar door gij een stukje van ’t Turkse land geruineerd en geplundert hebt en vervolgens door list en bedrog, onder voorwendsel van ’t Sonnies geloof te willen aannemen, vrede gesloten, ’t welk tot sodanigen opgeblazentheijd gestrekt heeft, dat gij met intentie om Kendhaar te overweldigen dit heen zig begeven [19] en ongerijmde ondernemingen zig voorgestelt hebt.

Gij zijt nog zo verre niet gekomen om volgens gebruijk der koningen, aan de hemel verbeeldende hoven den magtige Koning, Ambassadeurs te mogen zenden of brieven te schrijven; dog twee diverse malen dat Mimerdaan Chan Saamboe en Mhamet Alichan in gezandschap van wegens Thamas Mirza en Abaas Mirza aan dit mijn aanzienlijk Hoff geweest zijn zo zijn die met alle zodanige gunsten en eere begiftigd en onthaald als mijne mildadigheijt omtrent de geheele weereld en desselfs bewoonders gewoon is te doen op welken hoop zijnen zoon zig buijten ’t spoor begeven heeft.

Hebt gij de les van den Meester niet gehoort
Hebt gij de Wereld tot uwen wil gesien
Weest verdagt dat so lang gij de waardigheijd niet in handen hebt

dat gij niet gaat zitten op de plaats der waardige. De gemeenschap en vrindschap tussen dit aanzienlijk geslagt en dat den Agtb: Sofies, is alomme bewust en daaromme niet nodig te melden; want zijn Majesteijt Heer der Eeuwen en overwinnaar der Landen (:Tijmoerling:) in den beginne der uijttrekkinge te mogen genieten van den voorganger der vereenigde met Gods paleijs uijtverkorenste der ervarene in Godes geheijmen Sjaah Sessie wiens aarde den lievend God heijlige, en door de heijlige innerlijke genegentheijt van welken Leeuw Godes en behulp der heijlsame onderrigtinge van dien zoon des propheets Gods veele victorien en overwinningen behaald en naar de inneming van Turkijen, Egipten, Saam Eraak, Areb, en Ajem dat voor de tweedemaal tot Kezewien weder verschenen is heeft hij (:Tijmoerlaan:) [20] op desself (Sjaaf Sessies) bevel die grote plaats die tot nog toe in de Koninglijke Stad Isfahaan ter gedagtenisse van dien Victorieuse Heer der Eeuwen staat opgeregt, twaalf duijsend slaven so Turken, Gorgianen en uijt andere Landschappen gevangen bekomen en mede gebragt in slavernij aan Sjaah Sessie geschonken en eenige der Persische dorpen verordonneert tot behoefte der accademie Sijeds en Sjeegs dier plaatje tans bekend voor Kezelbaze
in Golaamsjahs tot Perzia, dog in der daad is Persia een weg geschonke plaats van mij, en de Kezelbasen zijn slaven van mijne aansienlijke voorouders, gelijk dien ondankbaren, uijt de tijt boeken wel zal gebleken wezen, en ook wel gehoort hoe door toevallen en beschikkinge van den Hemel den Koning Hamoijoen die zijne ruste in den Hemel heeft, uit inzigt van de vorige gemeenschap, ten tijde van den in ’t Paradijs zijn plaats hebbende Koning Sjaah Tahmaast zig na Persia begeven heeft, en aldaar met alle eerbiedigheijt en oneijndige beleeftheden onthaald geworden is, insgelijx dat ten tijde van den in den hemel rustende koning Ourengzeeb Mhamedakbor, door ’s werelds ongestadigen toeval bij de regeeringe van den koning …… derwaarts getrokken is, alwaar lange tijden doorgebragt heeft en met den anderen in volle vrindschap, als melk en suijker onder een gemengt, of als twee amandelpitten in een dop, sonder eenige de minste verschillen geleeft hebben.

Dog tot heden, dat door tusschen koningen van eenige verhinderinge, en dat den uijtgelezenste der voornaamste dienaren en beste der vertrouwelingen van dit hemels magtig hof, Nezamelmolluk Bhadur Fettehjeng Sepelsalaar tot beschikkinge der zaken en ‘t in rust en stilstand brengen van de landen, van Deckhen die sedert eenige tijt, door ‘s werelds ongevallen, en trouwloosheden van schendige tumult [21] makers, en in oproer waren geraakt, belemmert is geweest, heeft men aan de kant (Persia) niet kunnende gedenken, maar nu dat mijn heijlsame hant, onder Godes zegen, omtrent de belangen van neijgen lands bestieringe ten eenemaal gerust gestelt is, en intusschen in dese gelukkige tijd den Fettehjeng Sepehsalaar (:Nezamelmolluk:) ook ’t geluk van mijn voetkussing genoten heeft, en met ampt van Wackiel Mollek (:procureur Generaal:) ’t welk als geruijmen tijd bekleed heeft gehad, op nieuw tot opheldering van die qualiteijt gehonereerd geworden is so heeft dit Rijk zijne florisante staat oneijndig weder aangenomen.

Waaromme onder de Zegen van den eenigen God met de eerste te gevene ordre, de straffe van dien ondankbaren daar ’t eijndelijk qualijk mede gaan moet; wel gegeven sal werden; gelijk dien rampsaligen tot ontsteltenis en verovering van zinnen, te voren sal gekomen wezen, hoe onder de Zegen en gunste van den hemel, die verfoeijelijke rebellen van Deckhen die met 300000 bloeddorstige ruijters zig in ’t Land van Hindistan zeer superb hebben durven opdoen, door de dapperheijd van de victorieuse helden met weijnig moeijte verslagen en tot stof verbrijselt zijn, bekomende de regt gelovige helden daardoor sodanige schatten als met de inkomsten van seven landschappen zoude kunnen evenaren.

Hebbende ik in agtbaarheijd en glorie bij provisie dan, gestipuleert dat 300000 ruijters onder Commando van de oudsten der huijsboorlingen van dit dappere hof Abdas Semmedchan Bhadur delleerjeng en Zickeriachan Bhader Naserjeng met 60000 ruijters toeraanse Mogols (:tartaren:) benevens den Amirelommerauw Semsanniddoula Bhadur mier Bagsie (:generaal monsterheer:) [22] de Rugias Dhenraas Seijsingsawaij Kettejewaha , Abhijsing Rathour Rana Tjettersaal en Neckha mitsgaders Mhamedchan benges, Seijfuddien Alichan en alle bedienaers van dit Hof met de legers van Hindostan, en Raaspoeten tot 140000 Ruijters, Item Chodaijaarchanfitte Gaziechan belloots en andere ziemedaars van de omleggende plaatsen van Multaan met 100000 ruijters zig na de kant van Persia te begeven, en voor eerst het Casteel van Kendhaar van de afgaan Hosseen, die een der dienaren van dit hemelagtige hof is, te nemen, en dien veragte trouwlosen zijne waardige straffen te geven, ’t zij gevangen te nemen of ter neder te kappen, vervolgens Persia in te trekken Tahmaast mirza uijt de gevangenis te halen op den Persischen Koninglijken Troon te stellen, hun tot Aanbagdaad, ’t welk de grens van Turkijen is, te begeven alle sterktens, die tot hinder van ’t hemelslustige perk van Perzia strekken kunnen te verdelgen, de vijanden van dat aanzienlijke geslagt tot aan de wortel uijt te roeijen en so lange tot dat Thamast mirza anders zal ordonneeren, indien landstreek te verblijven; mitsgaders als dan, dat onder Gods zegen ’t rijk van Persia in zijne vorige stand zal bevestigt en een ider onder de gehoorsaamheijd en behoorlijke eerbiedigheijd van dien dapperen Koning gebragt zullen wezen hun tot kussinge van dit hof te rug te begeven, ’t Casteel van Kendhaar aan degene, die door dien Koning zal wesen aangestelt over te geven, en 25000 ruijters in den omtrek van Kendhaar te laten, die tot securiteijt , aldaar twaalf jaren zullen verblijven om bij voorvallende benodigtheijd in dat Rijk op order van daar of hier, zig tot assistentie te begeven.

So gij dan zijne laatdunkentheijd verlatende, zijn behouwt en welwesen betragt, en voor dat gij zijne straffe [23] na merite geniet, waar toe dit magtig leger verordonneert is zig tot inkeer en betering schikt soude het kunnen wesen dat de bediendens van mijn Hof naar luijd van de hoog vermogende fermaans en ook Tahmaast mirza de pen van genade over de bladeren van uw misdaden haalden, so niet zult gij zien dat van zig te zien hebt, en van geen ander.

Waar hebt gij strijdende helden gesien
Gij hebt tegen turcken en Gorgianen gevogten
Ik sal senden legers als Zeen
Gij nog uw legers sullen geen stand
kunnen houden

(:onderstond:) Getranslateerd (:getekend:) An Redoch


De Persiaansche Koning middelerwijl zijne marsch voortzettende, wierd eenigzints in zijnen Loop gestuijt vermits de stad Pesawor anders Pijshorie de poorten voor hem sloot dog Nadircha daar over zeer verontwaardigd, gebood die plaats stormenderhand aan te tasten, en na dat hij dezelve op die wijze ingenomen mitsgaders aan de krijgsknegten ter plondering overgegeven hadde, trok hij weder voort, en een zijner zonen met een talrijk detachement voor uijt gezonden hebbende om zig te verzekeren van de passage over de rivier den Attek anders Atok, een arm van de beroemde rivier de Indus (:die eertijds de Persische en Hindostanse Monarchijen van elkander scheijde:) zo voerde hij zijne armee zonder de minste tegenstand te ontmoeten aan de overkant van gem. Vlied. [24] Den voorspoed der Persianen in dat dezelve de Indus gepasseert waren, den Mogolsen Vorst ter ooren gekomen zijnde zo deed hem zulx zijne trots vernederen, de hoogmoedige dreijgementen in zijne brief aan Nadircha gedaan geheel vergeten en ’t hart eenemaal in de schoenen zinken, zulx hij zig in Dhillij niet zeker agtende te rade wierd, om na de benedenste Landschappen zijner heerschappije de wijk te nemen, mitsgaders het rijk aan den overwinnaar ten besten te geven, en vroeg ten dien eijnde aan den opzigter der Vaartuigen in hoeveel dagen men te water na Benaris of Pattena konde komen? maar de Amrauws (:Rijxgroten:) Nezamelmolluk voerende den tijtel van Asefja dat is Cancelier der Cancelieren, en Cammarudienchan van dit lafhertige project de lugt gekregen hebbende, het zelve willende beletten, zogten den Vorst door hunne aanmoediging een hart onder den riem te steken, en vertoonden hem, ten dien eijnde, dat de Persiaansche Armee slegts uijt een hand vol volks bestond, dat hij maar met zijn Leger te velde en de vijanden tegen hadde te trekken om een onfeijlbaare zege weg te dragen. Dog het was voor als nog niet mogelijk den Vorst schoon hij zig eenigzints door de aanmoediging van ged. Amrauws opgebeurd vond, tot zulk een besluijt over te halen, egter gaf hij ordre dat zij Amrauwen met een aanzienlijk Leger en van alles voorzien zouden optrekken, om den Souba (:Landvoogd:) van Lahoor tegen de Persianen te ondersteunen, en den Vijanden het Rijk te doen ruijmen; waarop ged Nezamelmolluk en Cammarudienchan aan ’t hoofd van een aanzienlijk Lighaam Krijgsknegten na Lahoor zo even gem op wegsloegen.

[25] Den Souba of Landvoogt dier Provintie genaemd Sikkeriachan, een manmoedig soldaat, voorzag maer al te klaar dat de zeeghaftige Koning Nadircha na dat hij den Indus gepasseerd was en den standaart geplant hadde in het Landschap Attok (dat mede onder de gehoorzaamheijt van ged Landvoogd stond) hem eerlange in zijne staten stond aan te tasten, om zig door de overweldiging dier Provintie den weg naar de Rijkstad Dhillij te banen, uijt dien hoofde gaf hij aan den Hindostansen Monarch kennisse van dat de Persianen gem Rievier overgetrokken mitsgad met de naburige Heijdense Ragias in verbond getreden waren, en tans gereed stonden hunne wapenen in zijn gebied te voeren, te gelijk zijnen Koning de noodzakelijkheijd aantonende om hem met een formidable magt te secundeeren.

Den ontvangst van even gem brief wierd welhaast gevolgd van eene nog veel onaangenamer tijding, namentlijk dat zekeren Amierbeekchan, zijnde een bevelhebber in den Persiaansche armee, zig met een kloek detachement te Emenabaad, dat op de grensen van Lahoor legt, hadde vertoont, en den fausdaar Callinderchan, die met een korps van 10000 soldaten die post zogt te bewaren, op een nagt onvoorziens overvallen en hem tottaliter geslagen mitsgaders die plaats met den degen in de vuijst overweldigt hadde. Dat wijders den bovenged Landvoogt Sikkeriachan, die met een Leger van 20000 bezoldelingen te velde getrokken was om Nadircha te ontmoeten, en een kans met hem te wagen, dat swaar verlies vernomen hebbende en dus swak bevindende den Vijand in ’t open veld [26] te resisteren weder te rug getrokken was met intentie om, door ’t verdedigen van zijn Hoofdstad insgelijx Lahoor genaamt, de bij hem verwagt wordende Mogolse wapenen tijt te geven van hem te komen ontzetten, maar dat hij ziende hoe Nadircha alles deed vervaardigen om de stad in te sluijten, en over zulx een zelfde lot, als de stad Pesawor ondergaan hadde, te gemoet ziende, tot een wanhopig besluijt getreden was, namentlijk om met zijne magt een uijtval te doen en dus te beproeven of het geval zijne dapperheijd wilde begunstigen; dat hij te dien eijnde met zijne benden uijt de stad getrokken was en de Persianen met veel dapperheijd aangegrepen had, maer na heldhaftige gevogten te hebben eijndelijk hadde moeten bukken voor de overmagt zijner Vijanden, zig in de Stad retireeren, en dezelve vervolgens bij verdrag aan den overwinnaar overgegeven; bij ’t welke teffens was vastgesteld, dat aan de inwoonderen de minste overlast niet zoude mogen worden gedaan dat ook door Nadircha getrouwlijk nagekomen was want in de stad getrokken wezende hadde hij op strenge straffe doen overbieden dat niemant eenig molest zoude werden aangedaan en eijndelijk dat den Persiaanschen Monarch, na dese bekomene zegen, onder eenige Legerhoofden een detachement van 30000 krijgsknegten voor uijt gezonden hadde om de Amrauwen (:Rijksgroten:) Nezamelmolluk en Cimmerudienchan aan te tasten.

Alle het welke dan bij Mhametcha verstaan wezende zo wierden zijne oogen daar door eeniger maten geopend. Hij begon het hem dreijgende onweer met meerder ernst te beschouwen; besefte nu eerst welk een gevaarlijke en door hem beledigde [27] Vijand hij te doen hadde, thans aan ‘t hoofd van een onverwinnende heir naderen om hem van den Throon te bonzen, daar de verslagentheijd zijner onderdanen en de verbaastheijd in zijne monarchije algemeen was, om alle die redenen besloot hij zijnen zoon Ahmetcha tot generaal van zijnen armee te verkiesen, hebbende hem te dien eijnde op eene pragtige wijze uijt desselfs Paleijs in den draagstoel, met diamanten en paarlen bezet doen halen en hem met dierbare geschenken opgehoopt, waar op dezen is getrokken na de kant van Kernal met oogmerk om zig met de troupen de voor uijt getrokkene rijxgroten te conjugeeren wordende derwaarts binnen korten Rijxgroten te conjungeeren wordende derwaarts binnen korten gevolgt door zijnen Heer Vader met een aanmerkelijke krijgsvoorraad, en toerusting waar onder zo men getuijgd een considerabel getal van 1200 stukken geschut en 500 afgeregte Eliphanten gevonden wierd.

Terwijl den Hindostansen Monarch zig invoegen als even ten oorloge toeruste, of om beter te zeggen een uijterlijke bravoure te maken zijne heirkragt op de grensen der Provintie Lahoor en bij Kernal anders Karnal agter eenige beschansingen gelegert hadde, om de indringende Persianen te beletten hunne overwinningen verder uijt te breijde zo was Nadircha na dat hij even gewaagde Provintie Lahoor geheel onder zijne gehoorzaamheijd gebragt hadde, het voor uijtgezondene Lighaam troupen geschikt om de Rijxgrooten Nezamelmolluk en Cimmarudienchan waarvan hier boven gesproken is aan te tasten gevolgd, en met het zelve [28] vereenigd legerde hij zig op zeven Inlandse mijlen na bij de armee des mogolsen Konings.

De beijde Legers nu bijkans malkanderen in ’t gezigt gekomen wezende zo deed zulx eerlang een beslissende Veldslag te gemoed zien, die den scepter in de Landen van Mhametcha zouden verzekeren, of die hem zijnen Kroon en Rijke zoude doen verliesen en hem van een halve Afgod een rampspoedig creatuur te maken. De Persiaanse heijrkragt zo men zegt 70 à 75000 bezoldelingen sterk, moedig op haar hoofd en krijgsgeluk, watertande om aan den Vijand te raken en zig met de immense schatten van Hindostan te verrijken.

Daarentegen was het in ’t Leger van den Mogol alles in angst, en vreeze en verwarring, het getal van volk was ongelooflijk groot, wordende geschat op ruijm 500000 ruijters en na de gewone schikking der Mogolse Legers eens zo veel voetknegten, ongerekend de paarden knegts, jongens en verder gevolg; Dog het was eenen opgeraapten, onbedrevenen, ongebonden en bloden hoop, die noijt vuur gezien en daarenboven het ongeluk hadde van geleijd te worden door de kleijnmoedigste vorst die oijt den staf ten deel geworden was en wiens qualiteijten voorwaards beschreven staan wat de Amrauwen belangt welker beleijd en moed de voorsz. quade gesteltheijt van zaken hadde kunnen redresseeren, die waren oneenig en ijder gebood na zijn eijgen welgevallen ’t geen de wanorde des te groter maakte.

De Vijandelijke Legers bleven in dien staat [29] nog eenigen tijd zonder de minste beweeging te maken, tot dat eijndelijk in dat van den Mogol aanquam den Amrauw Sadatchan een Persiaan van geboorte en een wakker soldaat dog een aards Vijand van ’s Konings gunsteling Chandouraan, en per consequens overkropt van misnoegen tegen zijne Majesteijt zelf, zijnde door den Koning Mhametcha ontboden uijt zijn Soubaschap Aoud, deze dan terwijl hij de Koning en de bij hem zijnde Rijxgroten was gaan begroeten, berigt gekregen hebbende dat de Persianen op zijne bagage aangevallen waren schoot ten eerste toe tot hunne hulpe, werdende gevolgd van den Amrauw Channadoraan, en verscheijde andere Rijxgroten met hunne benden, die met de voorhoede der Vijanden dan handgemeen geraakt wezende, zo ontstond er een bloedige actie waar in aan wederzijden veel volk sneuvelde en de Mogolders den Vijand deden deijnzen tot aan het gros zijner armee. Dog dit gelukkig begin was ook al het voordeel, dat zij behaalden, hier was haar non plus ultra, wordende de gezegde armee met weijnig moeijte op de vlugt geslagen en genoodzaakt zig binnen hunne Retrenchementen te retireeren. De Wereld legt den Amrauw Sadaatchan dezen tegenspoedigen uijtslag ten laste ziende het voor uijtzenden van deszelfs bagage tot na bij het Vijandelijke Leger aan als een stratagema door hem gebruijkt om zijnen dodelijke Vijand Chandouraan van den Koning af te thronen en op de slagtbank te brengen, wordende getuijgt dat zig de Persiaanse armee, op zijne aannadering geopent en Nadircha hem met [30] open armen zoude ontfangen hebben en schijnt zijn groot Crediet bij dien Vorst zulx ook te bevestigen, dog het zij hier mede hoe het zij, de tijdingen affirmeeren dat hij gekwetst geraakt en Chandouraan na gegevene preuves van zijne dapperheijd door verscheijde wonden afgemaakt is zo dat hij binnen weijnig uuren was komen te overlijden.

De tijding wegens voorsz. rencontre en het gevaer waar in den Amrauw Channadouraan en een groot gedeelte van Sadatchan gebragt was, en dat den overwinnende Persiaan een schrikkelijk bloedbad onder zijn troupen aanregte quam de Koning Mhametcha wel ter ooren maar hij was te lafhertig om buijten de retrenchementen te komen, vernoegende zig met slegts een gedeelte van zijn heir tot onderstand van Channadouraan te zenden voorts bleven op het slagveld buijten de gemene wier getal onbekend is, diverse Amrauwen en onder dezelve eenen Chan Sammaanchan eertijds Nawab (Landvoogd) van Pattena mitsgaders de zoon en broeder van evengem: Amrauw Channadouraan, een aanmerkelijk verlies zekerlijk dog het welke uijt het geweldige grote Leger van den Mogol niet eens konde gemist werden, waren er maar rijkelijk van diergelijke moed geweest als Chandouraan en de zijnen maar daar ontbrak het aan:

Den Koning Mhametcha die in zijnen brief aan Nadircha zo breed opgegeven hadde van zijne helden en de wonderen die hij met zijnes Leger als grote zeén, meende te verrigten was tans te blohartig een uijterste proef te nemen om den Scepter, en zig op den Throon te handhaven het verlies van een hand vol volk deed de Kroon op zijn hoofd waggelen [31] en strekte hem tot een noodlottig voorteken van dies nakende val, waar door den Persiaanschen Vorst de grootste Monarch des waerelds stond te worden.

De Amrauwen pronkende met heldhaftige tijtelen en Eernamen hadde hunnen trots afgelegd en scheenen vreedsame Lammeren geworden te zijn. Den gemenen krijgsknegt beefde op het gezigt van een Persiaans soldaat en geene derzelve hadde de stoutheijd buijten de Legerplaats te verschijnen.

De Koninglijke Veldheer der Persianen uijt de bevogte zege en de daar toegenomene verslagentheijd in ’t Mogolse Leger zijn voordeel trekkende omsingelde met zijne armee, die slegts uijt een hand vol volks in vergelijking van die der Mogolders bestond, het vijandelijke Leger indiervoegen dat het niet mogelijk ware eenige Levensmiddelen nog andere noodwendigheden daar binnen te brengen, waar door wel haast een vreeslijke hongersnood en allerleij ellende in het zelve veroorzaakt wierd, zulx dat na er geen eetwaren meer gevonden wierden zonder onderscheijd alle beesten tot spijzen moesten verstrekken maar onzen Edelmoedigen overwinnaer den rampzaligen staat waar in het Leger gebragt was overwegende, wierd door een innerlijk medelijden bewogen, neijgde tot gedagten van vreede en deed den Amrauw Nezamelmolluk voor wien hij een bijzondere agting betoonde bij zig ontbieden om hem eenige openinge van Vreede te doen welke dan gekomen en met tekenen van veel genegentheijd ontfangen zijnde zo trad ged. Koning in gesprek met hem over de pretensien der Persische Kroon op [32] het Mogolse Rijk en verklaarde:

Eerstelijk: dat hij gekomen was om de Landen bewesten den Indus , die volgens het gemaakte Contract tusschen den Persischen Koning Scha-abaas en den Mogolsen Monarch Hommajoen aan den eerstgen. Heerschappije behoorde en door de Mogolsen Koning onregtvaardig in bezit genomen, weder aan het Persische Rijk te hegten.

Ten Tweeden: dat hij quam om den bewusten Throon der Mogolse Koningen, die den groten Tamerlan ten kosten van 9 Caroor, dat is 135000000 Guldens hadde doen maken, en welke door hem uijt Persien in ’t Hindostaanse Rijk overgebragt was, wederom te eijsschen.

Ten derden: dat den Mogolsen Koning Hommajoen 10000 soldaten van den Persiaanschen Vorst Cha abbaas ter leen verzogt hebbende, om zig op den Throon te bevestigen, met belofte van na ‘t bemagtigen der throon de onkosten te zullen vergoeden, ’t welk egter niet nagekomen zijnde, zo pretendeerde hij dies restitutie.

Ten Vierden: dat hij de Mogolsen Koning te reden meende te stellen over het niet nakomen van het tusschen beijde de Monarchijen gemaakte Contract, hier in bestaande: dat ingevalle eene der beijde Rijken in oorlog geraakte de andere Kroon verpligt zoude wezen het zelve te hulp te komen, dog dat het Persiaanse Rijk door de oproerige Agwanen bij na geheel geruineert geworden en zedert in een bloedige [33] oorlog met het Turkse gebied geraakt was, zonder dat de Mogolse Koning de minste bijstand aan Perzien bewezen hadde.

En Ten Vijfden: dat hij weten wilde om wat reden zijn Ambassadeurs, die hij eenigen tijd geleden aan Mhametcha gezonden hadde wierden opgehouden en dat zijne brieven bij dewelke hij hem afeischte ’t geen hij aan Persien schuldig was, niet na behoren beantwoord wierden.

Daar verder bijvoegende dat hij onverminderd zijne grote onkosten om zig tot den tegenwoordigen oorlog toe te rusten en zijne verre en moeijelijke reijze al egter met den Mogolsen Koning, die hij voornemens geweest was, met zijne geheele Leger onder ’t staal te doen bukken, dog wiens ellendigen staat hem tans bewogen hadde, in der minne te verdragen en ’t gepasseerde over ’t hooft wilde zien, en sprak hij ik bevele u uijt mijnen naam aan uwen Vorst te gaan zeggen dat hij mij morgen in ’t midden van beijde de Legers kome vinden, ik zal hem op de helft van den weg ontmoeten en wij zullen zodanigen vreede maken als ik zal goed vinden; ged Amrauw in het Mogolse Leger te rug gekeerd wezende gaf aan Mhametcha kennisse van al het gene tusschen Nadircha en hem voorgevallen was.

Den volgenden dag quamen de beijde Koningen op zulk een wijze als men overeengekomen was bij elkanderen en omhelsden zig met de wederzijdsche tekenen van bijzondere genegentheijd. [34] De Mogolse Monarch vervolgens zijne Kroon en Heerschappije aan den Persischen Koning gepresenteert hebbende zo gaf deze daarop Edelmoedig ten antwoord dat aangezien hij het Mogolse Rijk met den degen bij na vermeesterd hadde en mitsdien het als zijn wingewest konden agten, hij nogtans daar van afstand deed, en niets anders begeerde dan dat de rekeningen opgemaakt en aan hem uijtgekeerd mogte werden, dat het Hindostanse Rijk verpligt was aan Persien te betalen. Welke propositie bij Mhametcha aangenomen zijnde zo wierd voorts overeengekomen dat den Amrauw Nezamelmolluk den volgenden dag de zaak in questi zoude verevenen, mitsgaders dat Laatstgem. Koning ’s anderen daags in het Persiaanse Leger door Nadircha zoude werden onthaald, en dat in tegendeel de laatstgem. Vorst vervolgens bjj Mhametcha in zijn Leger ter maaltijt zoude komen, en dat na ’t afdoen der geschillen Nadircha na Persien te rug zoude trekken.

Zulk een gewenst begin van bevreediging scheen wel haast alle verbittering uijt de gemoederen te zullen verbannen, de Vijandschap in Vrijndschap doen verkeeren, en gevolgd te werden van eene goede verstandhouding, te meer om dat de Mogolse Koning den volgenden dag, gelijk afgesproken was na ’t Persiaanschen Leger ging, daar hij met alle tekenen van Koninglijke eer onthaald wierd. De gekroonde hoofden verlustigden zig zeer, en de Mogolse Vorst keerde niet voor ’s avonds ten agt uuren zeer voldaan naar zijne armee te rug, na alvoorens aan Nadircha een geschenk te hebben gedaan van een [35] oliphant wiens tuijg met juweelen beladen was mitsgad. 6 kostelijke paarden en een andere oliphant die met 3. Lak, dat is 450000 gulden beladen was.

Den dag daar aan begaf zig den Amrauw Nezamelmolluk na ‘t Persische Leger om met Nadircha te handelen wegens desselfs pretensien die door hem begroot wierden op een Considerabelen schat van 40. Caroor dat is 6000 Thonnen gouds of 600000000 guldens zo ter leen als tot vergoedinge der onkosten die hij geduurende zijne vier jarigen oorlog met den Turk hadde gedaan, als om hem schadeloos te stellen van de depenses, die hij in twee Jaren, welke hij voor zijne te rug reijze rekende genoodzaakt zoude wezen te maken. Maar Nezamelmolluk door zulk een uijtgapenden Eijsch geenzints verzet, wist den Persischen Koning door zijne redenen te bewegen tot een merkelijke declinatie zijner pretensie, en tot het sluijten van het volgende Contract, namelijk dat de Koning Mhametcha aan hem zoude uijtkeeren 12. Caroor kopijen, dat is 1800 thonnen schats of 180000000 gls en zulx in den tijd van 5 Jaren te weten ider jaar 3. Caroor en bovendien nog 5. Caroor in Juweelen met en benevens den throon van den groten Tamerlan waar van hier voorwaards gesproken is, en welke op 9. Caroor gewaardeerte wierd, zulx de mogolse monarch 26. Caroor aan zijn persiaanse Majesteijt zouden moeten betalen; nog wierd overeengekomen dat beijde de Legers twee dagen na dat Mhametcha het bovengem. verdrag getekend en bekragtigt zoude hebben, aftrekken mitsgad. dat Nadircha de Levensmiddelen en voeragie onverhindert [36] in het Mogolse Leger, daar alles van honger verging, zoude laten komen.

Nezamelmolluk zeer voldaan over de getroffen vreede spoede zig om Mhametcha het Contract ter tekeninge aan te bieden en dus alle verdere oorlogs onheijlen voor te komen. Maar dien Vorst, niet overwegende welke voordeelige Conditien zijne minister verkregen hadde van eenen Koning, die hem de wet stellen en hem van zijn Kroon en Rijken konde beroven, antwoorde dat hij geen geld hadde om zulx een immense somme te betalen, en veel liever het Rijk wilde abandonneeren dan zulke Conditien inwilligen, Nezamelmolluk vertoonde hem vervolgens dat het verdrag zeer voordeelig voor hem was, en reden hadde God te danken dat hij dus het Leven en zijn Rijk behield, daar verder bijvoegende dat wat het geld betrof hij wel middel wist om de bedongen somme, al was het eens zo veel te bemagtigen zonder dat de Koninglijke schatkist daar door uijtgeput wierd, met namentlijk een schattinge op de Jentiven (:heijdenen:) te leggen, en dat hij langs dien weg in plaats van 12. Caroor eens zo veel zoude vorderen. Ongeagt deze voorstelling verschoof ged. Koning Mhametcha de zaak tot ’s anderen daags, en gelijk hij gedurende zijne regeering altijt na den Raad der Vleijers, waar van hij gestadig omringt was luijsterde zo ontbraken er tans mede gene om hem het tekenen van ’t gemaakte verdrag af te raden. Nezamelmolluk dan den volgenden morgen weder bij den Hindostansen Koning gekomen wezende, kreeg van denzelven tot berigt, dat hij wel verre was van het met den Persiaansen Koning gemaakte verdrag te willen ratificeeren. Dien minister thans alle zijnen aangewende arbeijd vruchteloos be [37] vindende, en voorziende wat droevige gevolgen ’s Konings weijgering stond te hebben, voegden zijnen Vorst daar op toe dat de vereffening der geschillen aan hem gesteld was geworden, en hij zijn Koninglijke woord gegeven hadde van alles wat door hem vastgesteld wierd te zullen bekragtigen. Dog deze klemmende redenen geen ingang bij Mhametcha vindende zo vroeg hem Nezamelmolluk wat dan zijn laatste besluijten of hij gerezolveert was het resentiment van Nadircha af te wagten en zijn volk aan desselfs wapenen dan wel aan den hongersnood te sacrifieeren, waarop hij geen uijtsluijtsel bekomen kunnende, volgens zijn gegeven woord weder te rug keerde na Nadircha gantsch mistroostig over den kwaden uijtslag zijner pogingen, daar hij ook eenigermaten, gevoel van heeft gehad, want zo dra was hij met het voorsz. rapport niet bij Nadircha verschenen of dezen deed hem in verzekering nemen, merkende zulken behandeling aan als een openbare ontrouwe en kleijnagtinge ten zijnen opzigte, protesteerende daar op in de volgende termen. Ik hebbe mijn woord gehouden maar gijlieden niet, overzulx zal ik tans alles van honger laten sterven, en de trouwlose Koning Mhametcha met alle zijne Amrauwen de scherpte des swaards doen passeeren, doende wijders het Mogolse Leger veel nauwer insluijten en den Koning Mhametcha weten dat hij hem met zijn gantsche geslagt en geheele Leger in stukken zoude doen houwen zo dra zig het dagligt den volgenden morgen op het aardrijk verspreijde, gaf de Persiaanse Monarch ordre om de vijandelijke armee aan te tasten [38] en alles te plunderen, te vuur en te swaarde vernielen en tot de Vrouwe des Konings toe te schenden en te vermoorden. Tans kreeg Mhametcha berouw over zijnen beganen misslag, dog zulks quam tespade, en ziende zig tot het uijterste gebragt eijschte vergif om hem en zijne familie van kant te helpen. Den gevangenen Nezamelmolluk middelerwijl gewaar geworden zijnde wat schrikkelijke ordres aan de Persiaanse Krijgsknegten gegeven waren, verzogt Nadircha te mogen spreeken en zulx verkregen hebbende zo smeekte dien Vorst het uijtvoeren van zijn besluijt nog eenen dag te willen uijtstellen; ’t geen hem vergunt wierd onder beding dat Mhametcha, welk zijn woord verbroken en niet meer te vertrouwen was, nog dien zelfden dag bij hem Nadircha zoude komen om zig zelfs gevangen over te geven, mitsgad. zijn Leven of dood in zijne handen stellen. Nezamelmolluk dan niets voordeeliger kunnende bewerken deed dit laatste besluijt van den Persiaansen Monarch aan zijnen Koning Mhametcha weten, die daar op des namiddags ten drie uuren na het Leger van Nadircha ging, zig zelfs aan hem overgaf en aanstonds gevangen wierd genomen, waar na den overwinnar 10000 Persianen detacheerde om zig van de Amrauws te verzekeren, en meester te maken van de Mogolse artillerije.

Zie hier in den Koning Mhametcha een groot voorbeeld van de wisselvalligheijd der waereldse zaken en den staat der menschen die eener der grootste Monarchen van zijnen Throon schopt om hem als een tweede Crasus in veragtelijke kluijsters te doen zugten verheffende aan de andere kant een Harders zoon tot [39] de Koninglijke oppermogentheijt van de Persische en Mogolse Rijken.

Nadircha vervolgens door den Amrauw Sadatchan, die, als hier boven gezegt is tot hem overgelopen was, geraden geworden dat hij den Mogolsen Throon beklimmen, en den gevangenen Koning tusschen vier muuren metzelen, of op een andere wijze om het Leven zoude laten brengen, gaf daar op edelmoedig ten antwoord, dat schoon de Hindostaanse Vorst zijn woord verbroken hadde hij hem egter geen ander leet zoude doen dan hem alles aftenemen; gevende tegelijk Last dat het Mogolse Leger in ’t welke door den Persiaanse soldaten een menigte van Levensmiddelen te hoop was gebragt, met het zijne conjungeeren zoude, waar na hij den weg na de Rijkstad Dhilly insloeg, en in de thuijn der Mogolse Koningen genaamt Soalanaar, vijf inlandse mijlen van even ged. stad gelegen, aangekomen zijnde gaf hij den Amrauw Sadatchan ordre van zig na de stad te begeven om te bezorgen dat op den dag van zijne intreede niemand der inwoonders de stoutheijd hadde zig op de platte der huijzen, nog in de vensters of waar het ook mogte wesen te vertonen om hem, wanneer hij in de stad zoude komen te zien en teffens tot preventie van de schrikkelijke stof die zijn Leger met hem binnen trekkende mits de ongemeene droogte stont te veroorzaken, allenthalven de wegen te laten schoonmaken, en met water besproeijen dat hij voorts vertrekken in het Casteel zoude doen vervaerdigen om den gevangenen Koning Mhametcha te huijsvesten, welken ongelukkigen Vorst [40] hij gelaste om ’s anderen daags morgens verzeld van zijnen Vrouwen voor af na Dhillij te gaan, en zijn intree te nemen in de voor hem gereet gemaakte apartementen, die dit bevel gehoorzaamde zig met het aanbreken van den dag na de stad begaf, werden door Nadircha op zijn depart beschonken met een Koninglijke draagstoel en voorts een vorstelijk uijtgeleijde aangedaan.

Het voorname Moorse Feest Backried of Abrahams offerhande, viel des anderen daags ofte op den 21 Maart 1739 in, en dien dag was door den Persiaansen Koning uijtgekipt tot zijne intreede in Dhillij werwaards hij zig vroeg in den morgenstond op weg begaf en des voordemiddags omtrent 9 uuren daar binnen trok, zijnde de straten en platten der huijzen allezints op ordre van Sadatchan door soldaten met geladen geweer bezet om als boven gezegd te beletten dat geene der inwoonderen zig uijt nieuwsgierigheijd om hem te zien, vertoonde, zonder dat men egter de redenen heeft kunnen ontdekken waarom hij juist op dien dag van zijne intreede niet wilde gezien wezen daar hij zedert menigmaal in ‘t openbaar verschenen is hoe ‘t ook zij dien last wierd met zodanige strengheijd uijtgevoerd dat niemand zig hadde kunnen beroemen Nadircha gezien te hebben, schoon men egter voorgaf dat hij van zijn zoon verzeld, te paard zittende was binnen getreden.

De Persiaanse Koning was nauwlijx in het Casteel gekomen, of gaf ordre dat de geheele stad door zijne krijgsknegten zo nauw zoude werden ingesloten dat het niemand mogelijk ware te [41] ontvlugten, ’t geen wel haast een schrikkelijke duurte in de Levensmiddelen gevolglijk eene ware hongersnoot binnen de stad veroorzaakt; Voorts beval hij dat de gedetineerde Princen van Koninglijken bloede, ende verder in hegtenis zittende voorname Lieden welke tot nog toe verdeeld gevangen gezeten hadden, in eene plaets te zamen gebragt en bewaard zouden werden; mitsgad. dat in een bijzonder gebouw binnen het Casteel zouden werden overgebragt de vrouwen van Mhametcha, dog de voornaamste onder dezelve genaamt Milko Semanio Begum, zijnde een dogter van den gewezen Koning Farogzier en een grootmoedige Vrouwen, zig uijt deze verplaatsing niets dan overlast en geweld voorspellende, en dat zo ten voorwerp zouden strekken om de wellusten der Persianen te verzadigen verkoos de dood veel liever kloekmoedig onder de oogen te zien en zig door vergif van kant te helpen, werdende in dat groothartgig besluijt gevolgd door verscheijde der voornaamste vrouwen, welk getal egter zedert door eenige is tegengesproken geworden.

Dien zelfden dag wierd de gedetineerden Vorst door den Persiaansen Monarch ter maaltijt genodigt en treffelijk onthaald waar na deze aan Mhametcha gevraagd hebbende in wat plaats zijne schatten waren zoude denzelven daar op geantwoord hebben, dat hij zig daarmede nimmer bekommerd maar zulx aan de zorg van zijne ministers overgelaten hadde; en dat vermits deze zig tegenwoordig bevonden hij verzogt die vrage aan haar mogt werden gedaan van welk verzoek den overwinnaar zig zeer wel heeft weten te bedienen.

Nadircha nu op alles de nodige ordres [42] en op de geldspetien het volgende trotsche opschrift hebbende doen stellen Hij is een Koning boven de tegenwoordige Koningen en Koning aller Koningen die Lange geregeerd hebben, namelijk Nadircha (:hij hadden er zeer gevoeglijk kunnen bijvoegen: Veni, Vidi, Vici, bij aldien die spreuk aan hem bekend ware geweest:) Zo verbood hij bovendien aan de Amrauwen, op wien hij zeer gebeten was van wegens hunne trotsheijd, en teffens snode lafhertigheijd om voortaan zig in Palenquins (:draagstoelen:) te laten dragen, en niet meer dan een knegt te mogen houden en een paard om op te rijden, eene ordre die gantsch niet aangenam was voor die stoute knapen, die eertijds gewoon waren niet dan door een geweldige stoet vergezeld uijt te gaan, nog in ‘t openbaar te verschijnen en naar hun eijgen welgevallen levende zig de bevelen des Konings weijnig bekreunden; voorts liet de Persiaanse Koning zijne gedagten gaan om zig meester te maken niet alleen van de Considerable schatten der Mogolse Koningen maar ook van die der Amrauwen en verdere rijke inwoonderen der stad Dhillij. Den kostbaren Throon door den groten Tamerlaan gemaekt en welke de Mogolsen Koningen in hunne firmans (:Koninglijke bevelschriften:) platen te noemen den allersierlijksten Throon van eere en Eerlijkheijd die verheven is tot aan den Hemel den Throon verheven tot aan de wolken enz: en waar op als gezegt is den overwinnaar zijne pretensien formeerde, was het eerste voorwerp daar hij zijne geldzugtige handen aan sloeg, doende denzelven demonteren van de bijna onschatbare paerlen en Edele gesteentens, wier schitterende glans de oogen der aanschouwers deeden schemeren. Wijders beroofde hij Mhametcha van zijne kostelijke Juweelen en Considerable schatten, in een Lange reex van Jaren door [43] de Hindostanse Koningen bij een vergaderd en lij verder toe om door eene geweldige geld afpersing zijne schatkisten te doen overvloeijen, stellende een hoge contributie op de Rijxgroten mitsg alle de inwoonderen zonder onderscheijd, en dies invordering geschiede met zulk eene strengheijd dat er dagelijx veel menschen die men van ’t grootste gedeelte datze in de waereld bezaten beroofd hadden, zig uijt disperatie met buijkstekers, zijnde een soort van het kort geweer dan wel met vergif om hals bragten; wanneer de Persiaansen Koning hunne nalatenschap aansloeg en zig eijgende, ondertusschen lieten de Persische Soldaten geenzints na zeer slegt huijs te houden in Dhilly rovende en plunderende aan alle kanten watze magtig konden werden en baarden een deerelijke verwoesting in die stad, geduurende welke cruelle handelingen den dapperen Amrauw Sadatchan zeer subit quam te overlijden, hebbende zo men zegt zig met vergif van kant geholpen, en het is waarschijnlijk dat hij voorziende het hem niet mogelijk zoude wesen de finantien van Nadircha tot een goed eijnde te brengen en zig overzulx desselfs ongenade voorspellende, tot die extremiteijt gekomen is, welke sterfgeval door evenged. Koning vernomen zijnde zo deed hij den overledenen des anderendaags begraven en stelde zig in ’t bezit van zijne goederen gelijk zulx mede geschiet was ten opsigte der nalatenschap van den gesneuvelden Channadoraan.

Eenige dagen hier na ofte eijgentlijk op den 28 Maart vier onverlaten en gedetineerde Amrauws zig dronken gezopen hebbende en gantsch buijtensporig geworden zijnde, spargeerde des avonds ten 8 uuren [44] dat Nadircha door Mhametcha met een buijksteker was afgemaakt; vervolgens vielen ze op de twintig ruijters die evenged. Persiaansche Monarch gesteld hadde om hem te bewaren en bragtenze om ’t leven. Het gerugt dat bij dit voorval gemaakt wierd, verspreijde zig wel haast over de geheele stad, vervullende dezelve allezints met verwarring en oproer, en het opgebondene grauw daar door gaande gemaakt, viel op de Persiaansche Krijgsknegten brengende een getal van 5000 derzelve om ‘t leven en de overige ontsnapten de woede der menigte in het Casteel, daar men inmediaat het geschut stadwaarts keerde en ‘t zelve den geheelen nagt beschoot. Maar Nadircha ziende met welk een trouwloosheijd hij door zijne overwonnelingen behandeld wierd en dat men op een valsch gerugt zijns doods met verwoedheijd op zijne benden gevallen en een groot gedeelte daar van vermoord hadde, wierd door een geweldige gramschap ontstoken en door wraakzugt geprikkeld gaf hij des anderen daags morgens ordre aan zijne soldaten om geheel Dhillij te plonderen, de vrouwen te schenden al wat leven hadde dood te slaan en voorts de geheele stad aan de vlam op te offeren, waar na hij zig in persoon na buijten begaf om oog getuijgen te wezen van het schrikkelijke bloedbad dat door den tot weerwraak getergden Persiaanschen Krijgsknegt stond te werden aangeregt, en ging ten dien eijnde zitten in een Mosque op het pleijn van Nichoque daar de winkels der Wisselaaers en Kooplieden gevonden wierden gevolglijk een volkrijke plaats was. Thans wierd de grootste moord begonnen waar van men nimmer gehoord heeft, het bloed stroomden bij beeken langs de grond, en in die onbeschrijfelijke woede wierd nog jong nog oud gespaard. De jammerende vrouwen nadat ze geweldadiglijk geschoffeerd waren, wierden door hare schenders vermoord, en mosten met haar bloed de be [45] zoedelde eere afwasschen of wierden gevangen genomen waar na de ontmenschte soldaten zig van staal en het verslindende Vuur te gelijk bedienden om aen hunne wraakzugt vokomen te voldoen en den nakomeling een beschreijdlijk geheugen te doen hebben van hunne Godloose moedwilligheijdartelheijd en barbaarbe wreedheijd stekende de stad aan vier hoeken in den brand ten eijnde dezelve in eenen puijnhoop te hervormen, en ze dus tot een deerlijk schouwspel van de uijterste wreedheijd te stellen.

Den nog in hegtenis zittende Amrauw Nezamelmolluk wien het gekerm der gequetste en stervende mitsgad. ’t geschreeuw der verkragt werdende Vrouwen ter ooren gekomen en daar uijt zo veel als uijt de verwarde berigten opmakende wat er gaande was, vond middel om de te zijner bewaring gestelde wagt te ontslippen en na Nadircha te lopen, dien hij als boven gezegt in de Mosque zeer tranquil vond zitten, en met bedaardheijd de bloedstorting aanzien, onder het eeten van Confituuren, en welke ged. Vorst aan hem op een assiette deed presenteeren maar deze zulx weijgerende aantenemen zeijde dat hij niet gekomen was om te eeten maar om van zijne handen te sterven, aangezien hij zulk een groote menigte menschen van het Leven liet beroven, zonder te onderzoeken waar door de wanordre ontstaan was, hem wijders afvragende, of hij niet bevreest ware dat God de Mosque waarin hij gezeten was op hem zoude doen ter neder storten overmits hij zo veel duijsenden deed ontsielen, en zulx enkel omdat eenige schurken een valsch gerugt [46] van zijnen dood hadden uijtgestroijd en daar door in een tumult eenige Persiaanse soldaten waren omgekomen. Waar op hem Nadircha antwoorde: eet slegts, en ik zal gaan om ordres te stellen dat de verwoesting en het moorden op houde en gaat gij tegelijk heen om te onderzoeken wie de oorzaken zijn van alle deze ellenden ten eijnde hem eene straffe der misdaad waardig gegeven werde.

’t Was middag toen de Persischen Koning last gaf dat zijne soldaten de verwoesting staken en het moord geweir, dat reeds van ’t aanbreken des dageraads gewoed hadde in de scheede zouden steken dan ’t was niet mogelijk die heijlsame ordre ten eersten aan alle Kanten ter uijtvoering te doen stellen, nog het gistende bloed des getergden Krijgsknegten tot bedaren te doen brengen, temeer overmits men ontdekte dat een groten hoop van ’t allersnoodste geboefte zig onder de Persianen vermengd hadde, invoegen het moord geschreij niet voor laat in den avond geheel ophield, dog de brand heeft men eerst agt dagen daar na ten eenemaal kunnen blusschen, den volgende dag beval Nadircha dat de gevangenen, uijtgezondert de fraijste Vrouwen in vrijheijd gesteld zouden werden; de Lijken middelerwijle der om het Leven gebragte, welke op de straten geworpen waren geworden, en geduurende eenige dagen in dien staat gelaten wierden om tot een beschreijelijke vertoning van de gepleegde woede, wreedheijd en moordlust te strekken, veroorzaakten welhaast eene besmettinge in de Lugt, zulx gedagte vorst genoodsaakt wierd dezelve bij grote hopen, de Moren en Heijdenen onder Malkanderen te verbranden. Voorts wierd door Nezamelmolluk ontdekt wie de uijtstroijers van [47] Nadircha dood en gevolglijk oorzaak van alle de daar uijt ontstane ellenden waren, en alhoewel dezelve hem zeer na in den bloede bestonden zo kon zulx geenzints beletten datze op desselfs bevel wierden gewurgt.

Het gestorte bloed hadde de wraakzugt van den Persiaanschen Koning wel verzoend, maar zijne onmatige geldzugt was daar door geenzints gepaijd, want hij stelde op nieuws eene belastinge op Dhillijs inwoonderen welke reets tot het gebeente uijtgeput waren doende de geene die niet wilden ontdekken watse nog overig hadden, en waar hetzelve te vinden was, zulx bekennen door een soort van pijniging onder den Persiaan in Practijk waar na het zelve weggenomen en in ’s Konings schatkamers gebragt wierd, werdende de oorsaak dezer verdubbelde geweldenarijen aan de dood van Sadatchan toegeschreven, als denwelken in zijn Leven een voorstander des gemeene volk geweest was, en met weerzin de geldvorderinge van Nadircha voortgezet en ook niets dan van vermogende menschen geeijst hadde.

Door zulke geweldige middelen en om dat aan de Persiaansche soldaten op levensstraffe verboden was meer als 100 ropijen, zijnde 150 guldens, voor zig tebehouden met last om al het overige dat ze quamen te roven in ‘s Konings thresorie te brengen, wierden onbegrijpelijke schatten bij een geschraapt. De dierbare paarlen, weergalose grote en onschatbare diamanten, keurlijke Robijnen en verdere uijtgezogte edele gesteentens [48] zints onbedenkelijke tijden van alle kanten en inzonderheijd uijt de rijke Golcandase Diamantmijn tussen Souratta en Orixa gelegen na ’t Mogolse hoff als na een bron te zamen gevloeijd en door de kiesche en Juweel beminnende Hindostaanse Koningen en Rijxgroten bij een vergaderd, wierden op ordre van den Persiaanschen Koning na datze gedemonteerd en 19 Maon dat is 1377½ pond swaar bevonden waren in Koffers afgepakt om vervoerd te kunnen werden, en men getuijgd dat de Juweelen alleen gewaardeerd wierden op een immense somme van 1050 tonnen gouds of 105 millioenen guldens. De pragtige zaal der Hindostaanse Koningen wier muuren allerwegens met vergulde zilvere platen bekleed waren, benevens de sware Lijsten van dat selve metaal en verdere grote silvere meublen, deed hij van die schatten beroven mitsgaders ’t gemunt en ongemunt zilver dat met de goude specien volgens de eenparige en geloofwaardige berigten een enorme schat van 16650 tonnen gouds of 1665 millioenen guldens bedroeg, in de munt tot blokken gieten om door de kameelen te kunnen weggedragen werden dog de goude ropijen in koffers, tot welkers vervaardiging dagelijx een Considerabel getal timmerlieden bezig was afpakken.

’t Is denkelijk dat vele de begroting van zulke immense schtten voor enkele rodamontades en hersen schimmen zullen aanzien, en niet willen geloven dat in een Koningrijk zulke verbazende rijkdommen gevonden kunnen werden, dog dezulke die gelegentheijd gehad hebben een denkbeeld te krijgen van den groten toevloed aan schatten uijt alle gewesten na het Mogolse Hof, zal het niet moeijlijk vallen [49] zig een idée teformeeren van de genoegzame en onbegrijpelijke rijkdommen der Hindostansen Monarchen en gevolglijk wel geloof willen defereeren aan de enormiteijt der door Nadircha gevondene sommen.

Middelerwijl zig een gerugt verspreijd hebbende van dat namentlijk Nadircha voornemens was den Koning Mhametcha op den Throon te herstellen en na Persien te rug te keeren; zo wierd men in dat gevoelen te meer bevestigd door alle die preparatien om de schatten te vervoeren; Het wreed behandelen en uijtputten der onderdanen des Rijks waar van hij verscheijde om geringe misdaden den buijk deed op, dan wel neus en ooren afsnijden, en ten laatsten wel voornamelijk dat hij den Mogolsen Throon tot nog toe niet beklommen hadde en men wierd voorts door de mondelinge beloften van den Persiaansen Vorst aan den gedetineerden Koning dat hij namentlijk hem eerlang op den Throon zoude herstellen, volkomen in dat gevoel bevestigt, dog alvorens hij zulx finaal ten uijtvoer stelde deed hij ten eijnde zig aan het doorlugtige bloed der Hindostanse Koningen te vermaagschappen een zijner zoonen trouwen aan een Nigt van Mhametcha zijnde een kleijndogter van den Prince Kambags die een zoon was van den berugten Aurengzeeb, en gaf denzelven een aanzienlijke somme van 40. Caroor dat is 6000 tonnen schats of 6000000 guldens tot een bruidsschat mede, een gift die vrij groot dog zeer gemakkelijk door Nadircha kon worden weggeschonken na dat hij zulke enorme schatten bij een geschraapt hadde.

Den laatst ged. Koning zig niet vergenoegende [50] met het verwoesten der Rijkstad Dhillij ende bij een gezamelde overgroote rijkdommen wilde boven dien dat Mhametcha de grensscheijding der Mogolse Monarchije zoude hebben in te trekken, en dat zijn gebied zig voortaan niet verder dan tot aan den Indus zoude uijtstrekken, en het welk door den gevangenen Vorst reets gewoon zig de wetten des overwinnaars te onderwerpen toegestaan wierd bij het volgende briefsgewijse manifest in ’t Hoofd van het welke hij Nadircha noemd Een Koning der Koningen, en Koning zints de Vlugt van Mahomet, een tweede Alexander en een Godheijd. Wijders vervolgende aldus:

Gij had mij een Ambassadeur gezonden om met mij te handelen en ik heb alles wat in mijn magt was gedaan om hem ten eersten zijn afscheijd te geven en gij zoud niet verpligt zijn geweest mij nogmaals Mhametchan te zenden, indien zulx niet was veroorsaakt geweest door mijne ministers die altijt hebben uijtgestelt antwoord te geven, en dus het vertrek van uwen Ambassadeur vertraagt liever oneenigheijd tusschen ons willende zaijen en tweedragt tusschen onse staten verwekken dan doen ’t geen ik hen belast hadde, al het welke dan de reden geweest is dat gij vermoeijt zijnde van uwe ambassadeurs niet te zien wederkeeren, de partij hebt gekosen om mij te komen opzoeken; wij hebben elkander slag gelevert in welke de overwinning zig naar uwe zijde gekeert, en de fortuijn u begunstigt heeft, zelfs zo verre dat gij u meester van mijn staten mijne Rijkstad Dhillij en mijn persoon hebt gemaekt gij hebt alle mijne Juweelen en Edele gesteentens benomen en bovendien de lijst van alle mijne inkomsten afgeeijscht dan dewijl gij mij belooft den Throon en de Kroon te zullen wedergeven, zo geve ik u over, en verklare u een wettige Souverain en Meester te wesen van de kant D’ouen het [51] Land van Noudabek, de zee van Sinde, de rivier van Sangara en Chaora, dezijde van Cabul het gebergte van Patthan, en Casteel van Jexel Cudabaar alles wat van Patta en Retta afhangt (in ’t kort al wat bewesten den Indus legt) en zal voor mij het Hindostaanse Rijk behouden.

Met dit pitoijabel stukje, waar in het natuurlijk Caracter van onzen kleijnmoedigen Koning te vinden is, stelde zig de Persische Monarch nog niet te vrede maar deed Mhametcha zig verbinden ’s jaarlijks aan Persien een Contributie van 3. Caroor dat is 450. tonnen gouds te betalen, mitsgad. dat Rijk ingevalle het door den eenen of anderen Vijand besprongen wierd, met zijne magt te secundeeren, waar van hij ged. Vorst ’s daags voor zijn vertrek liet verzoeken om een afscheijds maaltijt met hem te houden, en na hem Koninglijk te hebben onthaald, stelde hij hem de pragtige eeretekenen der Mogolsche Monarchen weder ter hand en verklaarde hem souverain van het Hindostaansche Rijk. Voorts gaf hij hem de brieven te leezen die hij geduurende eenige Jaren van de Malcontenen Amrauws ontfangen hadde, en bij welke hij door hem onophoudelijk aangezet was, om met eene formidable magt in ’t Hindostaansche Rijk te vallen; voegende daar wijders bij dat niemand hem getrouwer waren geweest dan Nezamelmolluk, Cemmarudien Chan en Channadoran; welken eersten Nadircha bij die gelegentheijd tot Mierbaxie (generaal monsterheer) aanstelde en aan den herstelden Koning ernstig gelaste [52] niets in ’t werk stellen zonder zijnen raad alvorens te hebben ingenomen. Den tweeden verhief hij tot Wessier (Rijx Cancelier) en de Kinderen des laatsten beval hij in de gunste van Mhametcha, dog deze gaf daar op ten antwoort, waermede zal ik haar begunstigen want gij hebt mij niets overgelaten.

Den 12: Maij dezes jaars 1739 was door den Persiaansen Monarch uijtgekosen om de te rug reijze naar zijne staten te ordonneeren, weshalven hij zo dra de zon opquam, den Koning Mhametcha volgens zijne beloften, in het bijwezen van een groot getal Amrauws, op den Hindostaansen Throon herstelde, hem teffens een present doende van 2 Caronen dat is 300 tonnen gouts mitsgaders een goed getal Elephanten, Paarden en muijlezels, en aan de Rijxgroten ijder een geschenk van een kostbaar Eerekleed, na verrigtinge van al het welke hij door den Mogolsen Vorst tot buijten de stad vergezeld werdende de reijs aannam en begaf zig na den thuijn Saolamaar genaamt, en waar van hier voorwaarts gesproken is, werwaards heen hij ‘s daags bevorens zijne geheele armée, een getal van omtrent 16000 der fraaijste gevangene vrouwen, alle zijne Elephanten, paarden en verdere bagagie, Item de schatten van ’t Hindostaanse Rijk gezonde hadde, en toen alles wat tot den optogt vereijscht wierd vervaerdigt was, sloeg hij den weg in naar Persien, nemende de route over de provintie Lahoor, dog allerwegens ellendige voetstappen en een beschreijelijke geheugen van wreedheijd nalatende, met namentlijk alles te plunderen, en dus de arme en beroofde inwoonderen des Lands, reden te geven van aan zijnen naam met schrik te herdenken. Ondertusschen melden de jongste tijdingen die men [53] van zijne te rug reijze heeft ingekregen, dat Nadircha werkelijk bezig was met bruggen over den Indus te slaan, en die rivier eerlange zouden passeeren mitsgaders dat dus dien Vorst en geesel roede der Mogolse Monarchije eijndelijk met zijne armee het Hindostaanse rijk stond te verlaten.

Transcriptie J. de la Hayze

Gerelateerd

Invasie van Nadir Chan

Hs 6115

Gerelateerd

Gerardus Kuipers

Gerelateerde dossiers

Journaal van mijn reis door Vrankrijk

Een reisje door Duitsland in 1862

Bericht uit het leger van Napoleon (1)

Bericht uit het leger van Napoleon (2)

Herinnering aan Mr. S. de Wind

Napoleon in Middelburg en Domburg in mei 1810

Wat vermag een vrouw

Beterschap

In dienst van de Garde Impériale

Een reisje naar Axel

Proeven met stinkhout

Brief uit Parijs

Reisje over de Surinamerivier in 1816

Londen in 1790/1791

Semen sabadillies

Vier Romeinse oudheden

Plunderingen in Middelburg in 1787

Kort Verhaal van een geweldig oproer voorgevallen binnen Middelburg in Zeeland van Vrijdag 29 junij

Journaal, gehouden op eene reis van Rotterdam naar Batavia en terug, met het Fregatschip Soerabaya,

Advies betreffende overspel van een predikant rond 1755

Dagboek Maria Johanna Schorer-van de Putte

Strafexpeditie naar de westkust van Guinea 1869

Twee zeldzame voorwerpen

Inzet van Europeanen als arbeiders in Suriname

Verslag van beschietingen bij Aardenburg van 1 mei 1794 tot 13 januari 1795

Verzuchting van een afgewezen kandidaat

IJsvermaak in Kortgene

Castra Herculis of Witlam?