Dossier: Vier Romeinse oudheden

Lezing gehouden door Diedericus van Cruisselbergen voor de leden van het Zeeuws Genootschap

29 Julij 1777 Beschrijving van vier stuks Romeinsche Oudheden, het Zeeuwsch Genootschap te Vlissingen ten geschenke gegeven, door den WelEdelen Gestrengen Heere Mr. David Grenier Verwout Noiret, Schepen en Raad der Stad Middelburg. Als mede van een antiq potje van roode aarde en een Romeinsch lampje. [onderaan in andere inkt: Zie de Historie van ‘t Z. Genootschap VI deel]

HS 4322 - 2N:1. Fig: 1 is een drinkschaal bij de Latijnen patera genaamt, zijnde een vlakke, maar ook somtijds eene holle drinkschaal, van boven wijd, van waar ook de naam van patera ontleend is. (a) Waar deze, die wij thans beschrijven, gevonden zij, is mij niet gebleken, maar wel dat dezelve gemaakt zij van een soort van witte krijt aarde, gelijk die couleur zich zeer wit vertoont, daar dezelve een weinig afgeschrapt is; welke stoffe reeds in vroege tijden den Romeijnen niet onbekend was. (b) Men zoude mogelijk niet onwaarschijnlijk gissen, zoo men stelde dat dit soort van vaten hier te lande oudtijds gemaakt werd van dat soort van aarde, bij onze vroegere bewoners creta genaamt, waarmede men gewoon was de landen te mesten, eene uitvinding der Britanniers en Galliers, en bij hen Marga genaamt. (c) Hier toe behoort de steen, bij het naburig Domburg gevonden

[2] en het altaar der Godinne Nehalennia wegens het behouden dezer koopwaren toegeweid en opgericht (d) de schaal of patera is dus van eene merklijke zwaarte, van onderen met een voet; boven zeer wijd, en naar beneden zeer smal toelopende, zijnde de voet met een kerf, en dus van het boveneinde enigsints onderscheiden; van welk soort men in onze gewesten velen gevonden heeft. (e) Men zoude mogen besluiten dat den binnenrand, door het drinken enigsints ware afgesleeten, althans het komt mij voor dat men daar aan dien kant duidelijk kan onderscheiden, waar men de lippen hebbe aangezet. de buitenrand, die er omgelegd is, is met eenige keepjes van het overige gedeelte, dat glad en effen is, onderscheiden

[3] dat het een drinkschaal zij blijkt om de voornoemde rede, en omdat die der ouden dus beschreven en ook somtijds zoo afgebeeld worden; schoon ik niet ontken dat men dezelve somtijds ook veel ondieper vinde afgebeeld en beschreven. Dat men bij de ouden tafel schenkers plag te hebben, is te bekend om er bewijs van bij te brengen; dat deze vrije en aanzienlijke jongelingen waren, is ook genoegzaam door anderen bewezen. (f) Welke schenkers men ook gewoon was, na het eindigen der maaltijd het overschot der wijn te schenken. (g) Ik heb hieromtrent enigsints breeder willen zijn, dan mijn bestek eigenlijk vereischte, om gebruik te maken van de afbeelding, kleeding en houdinge van zulk eene pocillator

[4] pincerna of schenker uit het cabinet van den geleerden en oudheidkundigen Baptista Casalius, zijnde van koper, en omdat de patera of drinkschaal zeer veel overeenkomst heeft, met die, waar van wij thans spreeken, heb ik denzelven Fig: 2 hiernevens gevoegd. (h) Men ziet in deszelfs regter hand de patera of drinkschaal en de schenkkan of phiala in den slinkerhand, zijnde gemaakt, volgens oud gebruik in de gedaante van een hoorn, in naarvolging der zeer oude gewoonte van uit hoorns te drinken door Athenaeus aangehaalt. (i)

[5] N: 2 Fig: 3 Schijnt mij toe eene urna of lijkbuis te zijn, gemaakt van graauwe aarde, maar dezelve ontdekt zij, is mij niet gebleken; maar wel dat er velen van dat soort zelfs in het Cleefsche en elders gevonden zijn, waarvan er de geleerde en oudheidkundige Joannes Smetius over de dertig stuks bezat, meest allen omtrent Nijmmegen en Xanthen uitgegraven, doch die meest allen van een lichter couleur waren, en meer naar den rooden kant helden, van welken hij er van vier gewaagd in den lijst zijner ontdekte oudheden. (k) Eene, zeer gelijk aan deze, dewelke wij thans beschrijven, vind men insgelijks van asgraauwe aarde, bevattende niet meer dan agt oncen waters, voor weinige jaaren bij Bath in Engeland in de begraafplaats

[6] van Julius Vitalis gevonden, en onder enige andere merkwaardige overblijfzels der grijze oudheid den Heer W: Musgrave toegezonden, en door hem in plaat gebragt en beschreven. (l) En op dat niemand twijffele of de lijkbussen niet gemeenlijk veel grooter waren, antwoorde ik, dat dezelve dikwils van deze of dergelijke grootte waren, en zommige nog kleiner in de grafsteden gevonden worden, terwijl men dan dient te onderstellen dat dezelve de assche of het gebeente van kinderen bewaard hebben, gelijk die, dewelke de Heer Musgrave ter aangehaalde plaatse beschreven heeft, nog de stukken van kleine verbrande beenderen in zig bevatte, toen dezelve ontdekt werd. (m)

[7] Indien iemand voorbeelden begeert van nog veel kleiner soort, kan dezelve elders vinden. (n) Ik zeide zoo even dat dezelve de assche of het gebeente bewaard hebben, en dan wierden de urnae of lijkbussen verdeeld in ossuaria, beenbewarende, en cineraria asch bewarende, want nadat de lichamen verbrand waren, wierden de beenderen en assche afzonderlijk bewaard, en zorge gedragen dat de assche niet met die van het verbrand hout, nog de beenderen met die van andere dieren, die somtijds tegelijk verbrand werden, zouden vermengd worden. (o) ja zelfs wierd het gebeente en de assche van volwassene lijken in eene kleine lijkbusse bewaard (p)

[8] over het merklijk onderscheid van ossuaria been bewarende, en cineraria asch bewarende lijkbussen is door anderen breder gehandelt. (q)

[9] N 3 en N: 4 fig: 4 en 5. waarvan het eerste is van een soort van bruine aarde, met hier en daar een roode vlam; N: 5 van een soort van witte aarde, niet ongelijk aan, maar egter spontieuser als N: 1. Schijnen mij toe vaatjes te zijn van die soort, zoo als er nog velen in de begraafplaatsen der ouden en elders ontdekt worden, en tot verscheiden gebruiken geschikt. Het is doch overbekend en niemand der oudheid kundig kan er aan twijffelen dat de naarbestaanden der overledenen de gewoonte hadden van op zekere bepaalde dagen de begraafplaatsen hunner overledene vrienden, kinderen en naarbestaanden te gaan bezoeken, en hunne assche met bloemen, wierook, en welriekende balsemen en olien te besprengen, en de vaaten, potjes, en gereedschap, tot zulk eene plechtige verrigtinge dienende, na hunnen liefdendienst bewezen te hebben, met het overschot dier reukwerken enz: in de graven agter te laten. (r)

[10] Ficcornias had voor eenige jaaren een groote Urna of lijkbus ontdekt, en te Romen opgegraven, op de welke vier en twintig stuks kleine aarde vaatjes, potjes, drinkbakjes, enz: gesteld waren, en gevonden werden, dewelke geschikt waren om zalve en welriekende olien ten grave te brengen en daar ter plaatse te bewaren. (s) deze vaatjes vind men ook veeltijds van glas, waarin somtijds nog het overschot van zulk soort van vogten gevonden word. Schoon er dan ook veeltijds de naam van den werkman en konstenaar op gevonden word; (t) zelfs is de geleerde Montfaucon door het kwalijk verstaan van eenige oude opschriften in de gedagte gevallen, dat eenig vogt met balsem en traanen vermengd in die vaaten bewaard en ten grave gedragen werd, om de lijken en assche te besprengen (u)

[11] in welke gedagte de Heer Montfaucon geheel mis is, omdat in gemelde opschrift cum lacrimis niet bedoelt word de vermenging van traanen met den balsem, maar alleen de droefheid der moeder over haaren afgestorven zoon te kennen gegeven word, als door traanen uitgedrukt. Vier stuks van dit soort van potjes en vlesjes, doch van glas vind men in plaat en zinnelijk afgebeeld bij den zelven Middleton (v) Velen van dit soort zal men ook aantreffen bij den meermaalen aangehaalden Smetius: onder anderen verhalende dat in zekere kist, buiten Nijmmegen opgegraven, gevonden werden twee lijkbussen en een glaze vlesje aan het hoofd einde (w)

[12] velen dergelijken van aarde gemaakt, als mede glazen vlesjes heeft men ook niet lang geleden in het nieuwelings ontdekt Herculanum gevonden. (x) Men vond in het midden der vorige eeuwe te Nijmmegen in eene begraafplaats 2 zulke vlesjes, welker eene nog vol was met ziltig vogt, dat korten tijd gestaan hebbende zeer helder werd. (ij) insgelijks zijn er velen van dit soort, vooral van graauwe arde en klei te Nijmmegen, Xanthen, te Roomburg en Rhijnsburg bij Leijden, op den zoo genaamden Burg bij Zwammerdam en Alphen aan dn Rhijn, te Catwijk bij het huijs te Britten en elders ontdekt (z)

[13] in hoe verre de gissinge van sommigen waar zij, onder de Roomsch gezinden, dat wanneer men dergelijke roode potjes en vaten in de grafsteden vind, zulks beduiden zoude, dat dat grafsteden der Martelaaren zijn zouden, is hier de plaats niet om te beslissen, althans omtrent velen derzelve is het zoo niet, want men vind in de graven der Heidenen zulk soort van roode Samische aarde, en van een ongemeene ligtheid (aa). deze werden veeltijds bij de offranden gebruikt, en bij de altaaren uitgegraven; gelijk ik ten jaare 1753 vernomen hebbende dat bij Voorburg ter plaatse, die men gemeenlijk houd voor het forum Hadriani of den Burg van Hadrianus enige oude overblijfsels der Romeijnen waren uitgegraven, aldaar van eenen der werklieden het nevensgaande potje, van roode Samische aarde, en zeer ligt zijnde voor mij kogt, alhier

[14] door figuur 6 afgebeeld, en het welk ik de eere hebbe ten dienste van ons loffelijk genoodschap hier bij te voegen. Ik hebbe elders anderen van dat soort gezien, maar niet zoo fraaij en ligt; het is zeer wel bewaard en zinlijk gemaakt, schoon er insgelijks de naam des werkmeesters ontbreekt; het heeft eener nauwen hals en is dik van buik; wordende dit soor veeltijds voor de fraaijte gehouden. (bb). Niet verre van dezelve plaats had men toen insgelijks gevonden twee steene Romeijnsche lampjes, die in eene begraafplaats gevonden werden, maar die hunnen man reeds gevonden hadden, eer ik dezelve konde magtig worden; omdat evenwel een dier lampjes niet onvoegsaam hier bij passen zoude, heb ik er een bijgevoegd uit het cabinet van den Heere Smetius, beroemd wegens deszelfs ijver en kundigheid in het opspooren en beoordeelen der Romeinsche oudheden, gelijk s’mans werken ten duidelijkste doen blijken.

[15] Het werd mij vereerd door smans klijnzoon den WelEdelen Gestrengen Heere Joan inde Betouw, geen gering sieraad der Nijmmeegsche Regeringe, en buiten Nijmmegen in een Romeijnsche begraafplaats gevonden (cc) en door figuur 8 en 9 hier nevens verbeeld. het heeft maar eene pijp voor een lemmer, schoon er in het zelve cabinet gevonden werden met 2 lemmers (dd). Het is van aarde, schoon dezelve Heer er ook van koper bezat. (ee) Men vind er den naam des Makers niet op, nog enige figuuren, gelijk somtijds plaats had. (ff) dat de vrienden en naarbestaanden der overledenen op zekere bepaalde dagen hunne naarbestaanden en bloedverwanten plegtigen eerdienst bewezen, is te voren betoogd; Hier vandaan de oorsprong der altaaren, in de grafsteden gevonden, en de lijkbussen, dikwils op de wijze van altaaren op een gestapelt, en met den naam van altaaren benoemd (gg)

[16] Naardien het nu in die onderaardsche begraafplaatsen zeer duijster was, had men noodwendig enig licht nodig, en hier vandaan de menigvuldige lampen, daar gevonden; hier vandaan de spreekwijze de lucernis in sepulchris positis. (hh) Hier vandaan de spreekwijze, dat men aan slaaven hunne vrijheid schonk op die voorwaarde, dat zij om den maand in het graf van hunnen Heer en weldoener lampen zouden aansteken. (ii) Men had dus ook vaten nodig om de welriekende olie, waar mede de lampjes moesten in brand gehouden worden, te bewaren, die men ook daarom met de stoffe nog bewaard somtijds in de grafsteden vind. (kk) die meer begeerd te weten, ’t geen tot ophelderinge hier van dienen kan, wijze ik vooral tot zulken, die dit werk met opzet en kundigheid behandeld hebben (ll)

[Noten]
(a) vid: Macrob: Sat: lib: 5 cap: 21. Varro de L:L: lib: 4 cap: 26.
(b) columel: de R:R: lib: 12 cap: 43. Columella, patruus meus, ex ea creta, qua fiunt amphorae, lata vasa in modum patenarum fieri jubebat,
(c) Plin: Hist: Nat: lib: 17 cap: 6. alia est ratio, quam Britannia et Gallia invenere alendi eam ipsa; quod genus vocant Margam. Varro de Re Rust: lib: 1 cap: 7 in Gallia Transalpina intus ad Rhenum cum exercitum duierem, aliquot regiones accessi, ubi nec vitis, nec olea, nec poma nascerentur, ubi agros stercorarent candida fossicia creta.
(d) DEAE NEHALENNIAE OB MERCES RECTE CONSERVATAS SECUND SILVANUS NEGOTTOR CRETARIUS BRITANNICIANUS VSLM vid: H: Cannegiet: de Brittenb: p: 14 et 15. Smallegange chronijk van Zeeland. bl. 84. Gudii inscript: in praetationis appendice Antwoord op de vraag over de oudheden van Zeeland 2de deel bl: 67.
(e) vid: 7: Smetii Antiquitates pag: 157
(f) vid: juvenal: sat: 9. V: 46 et 47 sed tu sane tenerum et puerum te et pulchrum, et dignum cijatho coeloque putabas. Athenae: lib: 10 Deipn: pag: 424 et 25 Bulengerus de convivus lib: 4 cap: 6.
(g) Athen: lib: 15 deipnos: pag: 705 [hier volgt een tekst in het Grieks] mos fuit e coena cum surrexissent ac libassent, quod restabat meri ebibendum puero dare, qui ministraverat. welke gewoonte ook word bij gebragt door J: Lipsius Saturn: Serm: lib: 2 pag: 125 edit: Plantin:
(h) Vid: B: Casalium de conviviis vet: in Gronovii Thes: Antiq: Gr: pag: 129 et 130.
(i) Athenae: lib: XI deipn: pag: 476 [Griekse tekst] fama est priscos homines boum cornibus olim bibisse. ziet over t’ een en ander breeder B: Casalius de conviciis veterum Tom: IX Thes: Gronov: pag: 130
(k) Vid: J: Smetii Antiquit: pag: 161
(l) Vid: W: Musgrave Antiquitates Britanno-Belgicae praecipue Romanae pag:192.
(m) Vid: Musgrave: l: c:
(n) Vid: commentarios ad Severae Martijrus Epitaphium pag: 86.
(o) Vid: J: Smetii Antiq: pag: 161 et 162.
(p) Vid: Ovid: lib: 3 Trist: eleg: 3 v.65 Ossa tamen facito parva referantur in urna sic ego non etiam mortuus exsul ero. propert: lib:2. el: 10 n:31 Deinde ubi suppositus cinerem me fecerit ardor Accipiat manes parvula testa meos Gutherius de jure manium lib: 1 cap: 26.
(q) vid: Ulpian: in lib: 2 digest: de Sepulchro violato Celsus scribit, statuam sic esse monumenti ut ossuariam inscriptio vetus apud Gruter: p: 850 N: 10 FRATRI OPTIMO ET PIISSIMO CINERARIUM FECIT vid: Sponium Misc: Erud: Antiq: Sect: 9 p: 290.
(r) vid: Ovid: lib: 3 Trist: v: 561 Mixta bibunt molles lacrimis cinquenta favillae vertice libatos accipiuntque comas. propert: lib: 3 el: 14 v: 23. Adferet huc unguenta mihi sestisque sepulchrum ornabit custos ad mea busta sedens
(s) vid: Gruteri inscript: pag: 1122 N: 12. Mus: Kircher: pag: 115. vid: C: Middleton Antiq: pag: 98.
(t) vid: J: Smetii Antiq: pag 161 van welker naamen dezelfde Smetius eene gantsch lijst heeft ingevoegd in zijne Oudheden bl: 164 en volg: c: Middleton Antiq: pag: 99.
(u) Het opschrift uit kircherus aangehaald luid aldus
C.LAELIO C.F.IV.
- - -
- - -
- - -
- - -
FUSCA MATER
AD LUCTUM ET GEMITUM RELICTA
CUM LACRIMIS ET OPOBALSA
MO UDUM
HOC SEPULCHRO CONDIDIT.
Mus: Kircher: pag: 115 Montfaucon Antiq: expliq: vol: 5. l: 3. c: 7. aangehaald door C: Middleton Antiq: pag: 99
(v) C: Middleton Antiq: pag: 98.
(w) vid: Smetii Antiq: pag: 116 et 117.
(x) voijez Cochin et Bellicard sur les Antiquités de la ville d’Herculanum pag: 29. B: Montfaucon diarii italici pag: 118’ (ij) vid: Smetii Antiq: pag: 117.
(z) ziet Pars Katwijksche Oudheden bladz: 93, 103 en elders. Had: Junii Batavia pag: 116 et seq:
P: Scriverii Antiq: Bat: pag: 189.
(aa) men vind een dusdanig afgebeeld bij pars katw: oudh: bl: 103 en in Scriverii Antiq: Bat: pag: 188
(bb) vid: comment: ad Severae Martijris Epitaphium pag: 30,31 et 61.
(cc) Smetii Antiq: pag: 101 (dd) Smetii Antiq: pag: 101 et 107.
(ee) Smetii Antiq: pag: 101
(ff) Smetii Antiq: pag: 104
(gg) Fabretti inscript: pag: 107,108 et 719.
(hh) Gruteri inscript: p: 1143
(ii) Gutherius de jure manium lib: 2 cap: XI. C: Middleton Antiq: pag: 102
(kk) J: Gutherius de jure Man: lib: 2 cap: 32 dewelke verhaalt niet alleen lampen met 2 en meerdere pijpen, maar zelfs er een met elf gevonden te hebben ter aangetogen plaatse.
(ll) Middleton Antiq: pag: 101 et sequentibus. Gutherius de jure manium. M: A: Charisius in dissert: in Graevii

[17] Thesauro Antiq: Rom: tom: 12 pag: 955 et sequentibus. Bartolius en Bellonius de veterum sepulchris tom: 12 Thesauri Gronoviani en anderen over de altoos brandende lampen in de graven ziet M: Z: Boxhorn Quaest: Rom: Tom: 4 Thes: Graev: pag: 932, 33 en 34 die eene aanmerkeljke plaats hier omtrent bij brengt uit Bernardinus Scardeonius. lib:1. quo de primis civibus potavinis agit.

Transcriptie J. de la Hayze

Gerelateerd

Reliƫflampje

789-3

Wierookschaaltje

790-14

Voorlezing over Romeinse oudheden

Hs 4322

Tranenflesje

G3646

Gerelateerd

David Grenier Verwout Noiret

ZI-IV-0701

Didericus van Cruisselbergen (Cruijsselbergen)

Gerelateerde dossiers

Journaal van mijn reis door Vrankrijk

Een reisje door Duitsland in 1862

Bericht uit het leger van Napoleon (1)

Bericht uit het leger van Napoleon (2)

Herinnering aan Mr. S. de Wind

Napoleon in Middelburg en Domburg in mei 1810

Wat vermag een vrouw

Beterschap

In dienst van de Garde ImpƩriale

Een reisje naar Axel

Proeven met stinkhout

Brief uit Parijs

Reisje over de Surinamerivier in 1816

Londen in 1790/1791

Semen sabadillies

Plunderingen in Middelburg in 1787

Kort Verhaal van een geweldig oproer voorgevallen binnen Middelburg in Zeeland van Vrijdag 29 junij

Journaal, gehouden op eene reis van Rotterdam naar Batavia en terug, met het Fregatschip Soerabaya,

Advies betreffende overspel van een predikant rond 1755

Dagboek Maria Johanna Schorer-van de Putte

Strafexpeditie naar de westkust van Guinea 1869

Twee zeldzame voorwerpen

Inzet van Europeanen als arbeiders in Suriname

De invasie van het Mogolse rijk in 1738

Verslag van beschietingen bij Aardenburg van 1 mei 1794 tot 13 januari 1795

Verzuchting van een afgewezen kandidaat

IJsvermaak in Kortgene

Castra Herculis of Witlam?

Zwerftochten langs de Westerschelde