Dossier: Herinnering aan Mr. S. de Wind

Hs 3721

[2] Extract uit eene redevoering gehouden door den Procureur Generaal in Zeeland ter gelegenheid van de Plegtige Algemeene Vergadering van het Provinciaal Geregtshof in Zeeland, op den 18 october 1859 ter installatie van den nieuwen benoemden Raadsheer Mr. Jacobus Paulus van der Bilt, alwaar tegenwoordig waren, de Heeren mr. mr. Jhr. A.P. van Doorn President, Jhr. J.G. Schorer, A.J. van Deinse, W.J. Vaillant, Jhr. A.W. Snouck Hurgronje, Raden zijnde Jhr. Mr. S Schuurbeque Boeije door ongesteldheid verhinderd, Mr. M. Verbrugge Procureur Generaal, Mr. J.W. de Bruijn van Melis en Mariekerke Griffier, Jhr. Mr. W.C. de Jonge Substituut Griffier

Voorts de Heeren Avookaten en Procureurs
Edel Groot Achtbare Heeren
President en Raden in dit Hof

Wij zijn in dit plegtig uur te zamen vergaderd omdat eene Wettelijke verordening ons daartoe de verpligting oplegt wij zijn daarom evenwel - ik ben er van overtuigd niet gekomen om eene plegtige handeling te verrrigten waarbij ons hart koud blijft.
De installatie van een lid van dit Regterlijk ligchaam was nog nooit voor ons eene loutere vervulling van wettelijke vormen. Zij moigt in meerdere of mindere mate ons gevoel opwekken [2v] bij het herdenken wat aanleiding gaf tot zoodanige plegtige inwijding tot eenen nieuwen werkkring: - maar eene ijdele vertooning, waaraan hoofd noch hart deel namen, was zij nimmer.
Zou dan nu ons gevoel niet spreken als wij gedenken aan den man die ons nog zoo kortelings ontviel? Zou dan de herinnering aan dengene, met wien wij zoo vele jaren hebben doorleefd, in wiens werkzaamheden wij hebben gedeeld ons koud en onverschillig laten? Zien wij niet met ware droefheid op dien nu ontledigden zetel, zoo waardiglijk gedurende meer dan twintig jaren onafgebroken bezet door eenen man die in het openbaar en in de raadzaal Uwe beraadslagingen met onbetwistbaar talent wist te leiden?
Wij allen, Edel Groot Achtbare Heeren, hebben den ons te vroeg ontvallen Mr. Samuel de Wind gekend en ik geloof niet te veel te zeggen, dat wij hem allen hebben geeerd, gevierd en liefgehad als regtsprekende, als geleerde, als mensch.
De vroege morgen van den 19 Augustus dezes jaars, toen zijn sterfuur sloeg, zal ons wel allen onvergetelijk blijven.
Na een langdurig ziekbed van nagenoeg vier maanden legde Mr Samuel de Wind een leven af, dat op den 26 januari1793 aangevangen, gekenmerkt werd door eene toewijding aan de wetenschap, aan liefde voor het edele schoone en goede.
Na het meesterschap in de regten aan s’Lands Hoogeschool (1) verkregen te hebben werd hij, volgens eene daarvan gevondene aanteekening, op 30 December 1811 door het Hoog Geregtshof te s’Hage toegelaten en beëedigd als Advokaat en vestigde zich alhier als zoodanig op 29 Junij 1814.
[3] Al spoedig gunstig bekend, werd hij bij Koninklijk Besluit van 18 februarij 1818 benoemd en aangesteld tot Substituut Officier van Justitie bij de voormalige regtbank van eersten aanleg alhier. Die betrekking gaf hem ruimschoots gelegenheid om zich verder te bekwamen en zich meer bijzonder te doen onderscheiden, zoodat toen hij bij Koninklijk Besluit van 18 December 1834 nr. 113 zich de betrekking Hoofd van het Parket bij die regtbank opgedragen zag ieder daarin niet anders vond dan eene billijke vergoeding voor de zoo vele en belangrijke diensten tot daartoe als Ambtenaar van het Openbaar Ministerie aan den Staat bewezen.
Maar weldra werd door de invoering van de in 1827 vastgestelde en in 1835 herziene Wetgeving omtrent de zamenstelling van het regtswezen hier te lande hem eene ruimere werkkring aangewezen.
Toen Zijne Majesteit Koning Willem I bij hoogstdeszelfs besluit van 16 Mei 1838 n. 76 Mr de Wind verhief tot de waardigheid van Vice President van dit Hof werd die keuze algemeen toegejuicht, men zag daarin aan de ingezetenen door den Souverein den waarborg gegeven van diens hooge zorgdragende belangstelling in goed regt en het op waarde stellen van beproefde eerlijkheid bekwaamheid en naauwgezetheid gevoegd bij eene ondervinding die de gunstigste verwachtingen opwekte.
Heeft Mr. de Wind aan die grootsche verwachtingen voldaan? Gij Edel Groot Achtbare Heeren die zijnen aanhoudenden wetenschappelijken ijver, zijne [3v] getrouwe behartiging van regterlijke pligten zijne helderheid en scherpzinnigheid in het onderzoeken van moeijelijke regtspunten van nabij hebt gezien en zijne humaniteit bij de behandeling van zaken hebt ondervonden zoudt gij mijne uitspraak wraken dat de verdienstelijke overledene in vele opzigten die verwachtingen nog heeft overtroffen?
Toen Zijne Majesteit Koning Willem II tijdens Hoogstdezelfs verblijf alhier in Augustus 1841 hem het ridderkruis der orde van den Nederlandschen Leeuw schonk, heeft iemand hem die eervolle onderscheiding misgund is in iemands hart opgeklommen de gedachte dat een meer waardige daarmede konde zijn gesierd? Neen, ik ben er van verzekerd dat zoowel al degenen die deelmakende van dit Regterlijk Ligchaam, als elk ingezeten in Stad en Land doordrongen was van de waardigheid dat aan wezenlijke verdienstelijkheid hierdoor openlijke hulde werd gedaan.
Als wij ons den algemeen geachten man voorstellen, zooals hij daar die voorzitters plaats bekleedende, eene achtbaarheid ten toon spreidde, welke eerbied voor den regterstoel inboezemen moest: met kalmte en vastberadenheid het onderzoek der strafzaken leidde, en met onpartijdigheid aanklagt en verdediging aanhoorende het openbaar vertrouwen in de onkreukbaarheid en gemoedelijkheid van het regtsgestoelte versterkte, wie zal het hem dan niet dank weten dat hij zooveel heeft toegebragt om dit Hof algemeen hoog in eere te doen houden? Of werd dat ontzag niet ingeboezemd door [4] zijnen eenvoud van zeden, zijne juistheid van opmerking bij vlugheid van bevatting en geenszins door een bloot vertoon van de uitwendige teekenen zijner waardigheid?
Was hij als Ambtenaar van het Openbaar Ministerie naauwgezet geweest in de vervulling zijner moeijelijke en veelzijdige ambtspligten, als regter vond de aangeklaagde steeds bij hem een geopend oor: hij luisterde niet alleen maar nam ter harte wat zijn gevallen evenmensch hem ter verschooning zijnes misdrijfs voordroeg. Erkennende de hooge waarde van dat nog onlangs zoo voortreffelijk in het licht gestelde regtsbeginsel: scire leges non hoc est verba earum tenere sed vim et potestatem (2), zag hij scherp toe bij de toepassing der wetten, op al wat geschiedenis tot voorlichting kon doen strekken en Gij Edel Groot Achtbare Heeren zoudt het kunnen getuigen hoe hij steeds een ijverige voorstander was voor eene vrijgevige opvatting der strafwet; daardoor werkte hij ook mede tot het doen zegevieren van het beginsel dier zoo zeer gematigde Strafwetgeving, welke in 1854 tot stand kwam.
Bij een diep gevoel van de verpligtingen hem door zijn ambt opgelegd had hij liefde opgevat voor die inrigting van het regtswezen, welke in 1827 en 1835 algemeen beschouwd werd als een bolwerk voor de vrijheid der Ingezetenen en Mr. de Wind toonde bij de in 1843 beproefde aanranding van den grondslag van ons regtswezen hoe dierbaar hem dit Hof was, toen hij een krachtig woord tegen de voorgestelde opheffing van zes geregtshoven waaronder dat van Zeeland deed hooren en door [4v] middel van de pers ook elders weerklank deed vinden.
Maar Mr. de Wind benuttigde bovendien den vaak door anderen als verloren oogenblikken geachten tijd om ook in andere opzigten werkzaam te zijn.
Gaf de Raadsheer Cannaert te Brussel in 1826 eenige bijdragen tot het oude strafregt in België in het licht, het volgende jaar leverde Mr. de Wind eene bijdrage tot die van het Oude Strafregt in Nederland. Het is mijn oogmerk niet om hier te vermelden al wat de geachte ontslapene heeft in ’t licht gegeven maar ik mag wijzen op zijne in de jaren 1831 en 1835 in het licht gegevene Bibliotheek der Nederlandsche Geschiedschrijvers van 970 tot 1648, als getuigende van zijnen onderzoek lievenden geest, van zijn belezenheid en van zijne bevoegdheid om te oordeelen over die reeks van schrijvers door hem vermeld.
Wil men hem leeren kennen als scherpzinnig onderzoeker van oude oirkonden en schriften, men leze zijne Verhandeling over den dood van Floris IV in 1234, waarin hij Huidekoper en Melis Stoke bestrijdt. En wie zal niet met de meeste belangstelling zijne verhandeling over den invloed van Wagenaars Vaderlandsche historie op de beschouwingen beoefening der Geschiedenis gelezen en herlezen hebben? Of zijne uitmuntende verhandeling over Gravin Jacoba?
Hoe ernstig en grondig hij de letteren in het algemeen tot eigen voordeel beoefende bleek uit zijne scherpzinnige opmerkingen en was reeds vroeger kennelijk in zijne met goud door de maatschappij van Nederlandsche letterkunde bekroonde [5] verhandeling: Welke dienst of ondienst heeft de dichtkunde van de oudste tijden af, tot op onzen tijd aan de Geschiedenis gedaan bepaaldelijk met opzigt tot de Grieksche Romeinsche en Nederlandsche geschiedenis (3)?
De man, die tot aan de opheffing van het Koninklijk Nederlandsch Instituut der Wetenschappen zitting had in die vergadering en door zoo menige belangrijke bijdrage van zijne liefde voor de Wetenschap deed blijken, verhoogde daardoor de waardigheid van zijn ambt en ik acht het niet der waarheid te kort gedaan wanneer ik hier openlijk verklaar dat door het smartelijk overlijden van Mr. S. de Wind den Hove eene der schoonste parelen uit de kroon gevallen is.
Altijd gereed om dienst te betoonen waar hij kon, of door het openstellen zijner boekverzameling of door het geven van inlichtingen of van raad was hij de sier van den Raad dezer stad van 1833 tot 1851. Zijn leven lang gedurende de vreugde van zijn gezin en in den gezelligen omgang algemeen gezocht.
Ordelijkheid aan onverdroten werkzaamheid vereenigd, deed hem de veel omvattende en tijdroovende betrekking van Vice President van dit Hof minder zwaar vallen en daardoor had hij altijd ruimte van tijd voor uitspanningen die veeleer inspanningen behoorden genoemd te worden ten koste van de edelste levenskrachten.

Vrede zij zijne assche! Eere zij hem! Zijne nagedachtenis blijve ons dierbaar, zijne naam blijve nog lange zweven op de lippen, zijn beeld leven in het hart [5v] van alle opregte vereerders van Wetenschap, van alle bewonderaars van het edele schoone en goede - dat eenvoud ten stempel draagt!  – enz.

Voor Copij Conform

De Procureur Generaal in Zeeland, M. Verbrugge


(1) Nota te Leijden op 28 December 1811 na het verdedigen eener dissertatie de Jure abteriterium
(2) Nota door Abr. van Bonneval Faure Hoogleeraar te Leijden 1859
(3) Nota Nieuwe werken der H. v. N.L. te Leijden 1825 I deel II stuks

Transcriptie J. de la Hayze

 

 

 

 

 

Gerelateerd

Portret Samuel de Wind

ZI-IV-0948

Portret Marinus Verbrugge

ZI-IV-0155-14

Herinnering aan Samuel de Wind

Hs 3721

Gerelateerd

Samuel de Wind

ZI-IV-0948

Marinus Verbrugge

ZI-IV-0155-14

Jacob Guilielmus Schorer

ZI-IV-0801

Jacobus Paulus van der Bilt

ZI-IV-0153-5

Adriaan Johannes van Deinse

ZI-IV-0153-2

Gerelateerde dossiers

Journaal van mijn reis door Vrankrijk

Een reisje door Duitsland in 1862

Bericht uit het leger van Napoleon (1)

Bericht uit het leger van Napoleon (2)

Napoleon in Middelburg en Domburg in mei 1810

Wat vermag een vrouw

Beterschap

In dienst van de Garde Impériale

Een reisje naar Axel

Proeven met stinkhout

Brief uit Parijs

Reisje over de Surinamerivier in 1816

Londen in 1790/1791