Dossier: Twee zeldzame voorwerpen

M.H.H. Directeuren en leden van dit Gen!

Het genoegen hebbende van aan het Gen. voor deszelfs verzameling, een paar zeldzame voorwerpen uit lang verloopen eeuwen te kunnen aanbieden, acht ik mij verpligt u tevens omtrent dezelve het een en ander mede te deelen, opdat het blijkbaar worde, dat zij, hoe schijnbaar nietig bij de eerste beschouwing, evenwel ten volle de kleine plaats zullen verdienen, welke ik voor dezelve in ‘s Genootschaps kabinet verzoek, nevens andere van soortgelijken aard.

Het eerste voorwerp, een bal van gebakken aarde, van 1 palm middellijn behoort tot de zeldzaamheden; want zoo veel ik weet zijn zulke nog weinig aangetroffen, ten minste nog niet in den Zeeuwschen bodem. De helft van eenen zoodanigen, werd door wijlen Hoogl. Reuvens bij de opdelvingen bij Arendsburg gevonden, tusschen Romeinsche en Oud Germaansche voorwerpen en een jaar of vijf geleden vond men er een 300-tal van bij elkander, onder Katwijk, bij de verruiming van het nieuwe kanaal, aan de zuidzijde van den Noordwijker weg, op eene diepte van 1,50 beneden Amsterdamsch peil. Door de zorg van den heer P. Koch, ingen. van den waterstaat, zijn er van deze een 70-tal bewaard gebleven; door de gunst van den Heer Minist. van Binn. Zaken zijn deze geplaatst geworden bij het Museum van Oudheden te Leiden, en hebben aldaar aan ons geacht medelid den Conservator Dr L.J.F. Janssen aanleiding gegeven tot eene kleine verhandeling getit.: Over oude werptuigen [1v] opgedolven te Katwijk; geplaatst in Nijhoffs Bijdragen voor Vaderl. Geschiedenis en Oudheidk. D.III bl. 137-152, waarin deze geleerde als zijne meening opgeeft, dat “deze ballen zijn geweest werp of slingerballen van de vroegste bewoners dezer landen van Germaansch karakter, uit den tijd van vóór of gedurende hunne aanraking met de Romeinen;” maar nogtans tevens erkent, dat ook andere gissingen omtrent hun karakter en afkomst tot zekere graad van waarschijnlijkheid kunnen worden opgevoerd.

De bal, dien gij hier voor U ziet is in 1844 door mij gevonden in een vliedberg; en wel in dienzelfden Wolfaartsdijkschen in den Oostkerke polder, op de zoogenoemde tol of torenweide, over welke ik reeds gesproken heb in mijne Verhandeling over de Godsdienstleer der aloude Zeeuwen, bl. 100 en 101. Ter aanvulling van het aldaar berigte wil ik hier nog alleen mededeelen, dat ik de daar vermelde scherven, beenderen enz. ter nadere beoordeling naar Leiden heb gezonden, waar zij, door de heeren Conservatoren Janssen en Schlegel, zijn onderzocht geworden, die mij hebben berigt, dat de mij onbekende steenfragmenten waren kwarts, zandsteen, schiefer, kalksteen, krijt; dat de baksteen merkwaardig was, als wordende die soort nimmer onder de Romeinsche aangetroffen; dat de verroeste en gebogen ijzeren priem, 0,18 el lang van iemand afkomstig scheen, die zich met leer of vellen bewerken bezighield, dus van een Frankisch schoen of kleermaker; dat de potscherven hetzelfde karakter dragen als vele te Wijk gevondene en er geen enkel stellig Romeinsch gewrocht bij was; en eindelijk dat onder de beenderen geen hielbeen van een mensch gevonden werd, want dat zij waren van hond, schaap, bok, varken, koe, vogels en een wervel van een visch. Het [2] geheel scheen hun niet verder teruggebragt te kunnen worden dan tot den Carolingschen tijd. Nu schijnt die oud Germaansche bal wel weder een tamelijk vreemd stuk huisraad in de huishouding van eenen Frankischen kleêr of schoenmaker maar men heeft er ook nog enkelen van gebakken roode aarde in en bij de Stad Wijk aangetroffen (Janssen, Oudhk. Mededeelingen, II, 201); waar tevens meerdere gevonden van tufsteen, van Andernachschen tras, van rolsteen, en zelfs een paar van vuursteen. En wij begrijpen ook, dat de bal hem bij voorkomende gelegenheid heeft kunnen dienen.
Maar waarvoor heeft hij gebruik kunnen maken van deze beide andere zonderling gevormde voorwerpen, waarvan het eene, wanneer men het ronde einde in de regter of linkerhand neemt, een telkens verschillende dierenkop (varken, hond, schaap?); het andere een broeijenden eendvogel schijnt voor te stellen? Wat zijn zij eigenlijk? Zijn ze spelingen der natuur? of zijn ze gewrochten van ruwe beeldhouwkunst?
M.H! Ik waag het niet te dezen iets te gissen, veel minder te bevlossen, want alles wat ik er U van kan zeggen, dat ik ze alsmede heb opgeraapt uit den reeds diep afgegravenen grond van denzelfden berg, en medegenomen om ze aan anderen ter bezigtiging en ter nadere onderzoeking aan te bieden; gelijk ik bij dezen de eer heb te doen.

Het andere voorwerp is, zoo als gij ziet een pot, met één scheef aangezet oor met een betrekkelijk wijden mond, zonder lip, van donkergraauwe aarde, hard gebakken, maar noch verglaasd noch van figuren voorzien. Hij is niet uit den berg te voorschijn gekomen maar (diep uit den lageren grond) opgedolven, en toch zeker even zoo goed Frankisch als de blaauwe scherven die uit den berg zijn voortgekomen; en hij is opgedolven bovendien op eene plaats, welke de nieuwsgierigheid wel gaande maakt, maar zonder dat er middelen ter harer bevrediging gevonden worden.
De meest oostw. gelegene gronden van [2v] Zuidbeveland zijn geenszins van Zeelands latere aanwinsten. Reeds in de XIIJ eeuw bestond er een dijkgraafschap tusschen Honte en Hinkelinge (Oud Zeel. 94.) en was Waarden, als een gedeelte van hetzelve, bekend. Klaas Stormsz van der Waarde, die dijkgraaf was in 1323, zal toch wel een afstammeling zijn geweest van Jan van Waarde, die in 1251 van den abt van Duinen landen, in dien hoek in leen bezat (Grijpskerke 155) en diens wapen hoogsteenvoudig als het was, d’argent au chef d’azur, levert weer bewijs voor nog veel hoogere oudheid. Daarenboven vinden wij in charters van de XIIJe eeuw gesproken van Castra apud Warden en coram Hinglem. In castris apud Warden nam Koning Willem in Dec. 1248 de bezittingen van de abtdij van ter Doest, en wel met name, die te Krabbendijke c.a. in bescherming, en in castris coram Hinglem gaf Heer Hendk. van Breda, in Julij 1240, de ambachten van Agger en Jemspolder ten leen, aan Hendk. Buffel. Maar van Kasteelen op die punten vinden wij nergens elders meer gewag gemaakt. Zij worden ook door van der Houve in zijne Chartre Chronijk (p.144) reeds niet meer vernoemd, onder de Zuidbevelandsche burgem. Schoock alleen getuigt, dat bij Waarde vroeger eene Commanderij der St. Jansheeren heeft gestaan. (Hunnius, 106). Maar was deze Commandarij een met het Slot van de heeren van Waarden of was zij er van onderscheiden? Waar ergens stonden deze gebouwen?
Van een kasteel noch slot te Waarden weet ons niemand iets mede te deelen, en toch zal ieder, die het dorp Waarden met eenige bijzondere opmerkzaamheid heeft verwaardigd, gewis de verklaring afleggen, dat er eens tegen hetzelve aan een kasteel [3] moet gestaan hebben van niet onaanzienlijke omtrek. Trouw(ens) bewesten de kerk vindt men thans de voornaamste rij der huizen van de overige onderscheiden door de naam van het nieuwe dorp, en eindigende met het parochiehuis, of de herberg; dat oud op zich zelve, is opgetrokken van nog oudere steenen en thans bewoond wordt door Pieter Koster en zijne huisvrouw, een paar hupsche Zuidbevel. plattelanders. Gaat men nu tot achter in den tuin van dit parochiehuis, dan wordt de aandacht getrokken door eenen hoogen grond met onmiskenbare spranken van graften; en onwillekeurig vraagt men: “wat heeft daar gestaan? een kasteel, een klooster of iets dergelijks?” Nu dien hoogen grond - een Vroonhoek nog daarenboven - noemt men nog altijd: den Kasteelberg. - Maar verder weet men ook er niets van te vertellen. - Ik had die hoogte reeds eens en andermaal bij mijne schoolbezoeken, bekeken; en toen ik dus den 17 Maart j.l. (wederom in die gemeente was, dacht ik er op mijn woord niet meer aan, om nogmaals op een kijkje er van uittegaan; maar, terwijl ik schoolbezoek deed, had genoemde Pr. Koster aan mijnen reisgezel den Heer W.J.Janssen, Med. Chir. en Obst dr (tevens Burgem. te Kruiningen die boven anderen belangstellende in de overblijfselen der oudheid, van zijne eenige dagen vroeger gedane vondst kennis gegeven, en was deze vondst door hem voor mij ter bezigtiging opgevraagd. - Na bezigtiging van den pot heb ik ook de vindingsplaats bezocht. De pot was zooals reeds gezegd is gevonden op de belangrijke diepte van ruim 3 el bij het graven van eene welput, op eene plaats, waar er tot dus ver nog geene was geweest, t.w. ten N.O. van den Kasteelberg en weinige ellen slechts buiten den rand van de overblijfselen der oude graften, waar de put thans in gebruik is. - Op mijne vragen, wat er in den pot gevonden [3v] was? was het eenparig antwoord: “blaauwe aarde en anders niets”. Geen spoor van asch, houtskool of beenderen was er te vinden geweest. - Ik houde deze kruik dus voor eene eenvoudige waterkruik  uit langverleden tijden, welligt bij poging tot vullen, aan de hand der schepster ontsnapt; want het tegenwoordige Parochiehuis kan zeer wel hebben behoord tot de oude buitengebouwen des kasteels. Maar oud is de pot in allen gevalle en zij is dus eerbiedwaardig ook, voor zoo ver zulks als een voorregt van den ouderdom kan worden beschouwd. Weten wij tot nog toe van de vernieling des kasteels te Waarden, even weinig als van deszelfs opbouw. Deze eenvoudige voor ons staande pot wijse ons op het tijdperk van deszelfs kracht, en is nu deze pot frankisch of Carolingisch, dan zal hij welligt, vroeger of later, nog gebezigd kunnen  worden als getuige voor de stelling van wijlen van der Houve, dat men geheel Zuidbeveland heeft bedijkt ten jare 850!  Het Genootschap gelieve hem dus te beveiligen tegen verbreking.

3 April 47  Dresselhuis

Transcriptie J. de la Hayze

Gerelateerd

Kan

931-13

Stenen formatie

670-09

Kogel

G2783

Toelichting schenking archeologische voorwerpen

Hs 4063

Gerelateerd

Johannes Ab Utrecht Dresselhuis

ZI-IV-0331

Gerelateerde dossiers

Journaal van mijn reis door Vrankrijk

Een reisje door Duitsland in 1862

Bericht uit het leger van Napoleon (1)

Bericht uit het leger van Napoleon (2)

Herinnering aan Mr. S. de Wind

Napoleon in Middelburg en Domburg in mei 1810

Wat vermag een vrouw

Beterschap

In dienst van de Garde Impériale

Een reisje naar Axel

Proeven met stinkhout

Brief uit Parijs

Reisje over de Surinamerivier in 1816

Londen in 1790/1791

Semen sabadillies

Vier Romeinse oudheden

Plunderingen in Middelburg in 1787

Kort Verhaal van een geweldig oproer voorgevallen binnen Middelburg in Zeeland van Vrijdag 29 junij

Journaal, gehouden op eene reis van Rotterdam naar Batavia en terug, met het Fregatschip Soerabaya,

Advies betreffende overspel van een predikant rond 1755

Dagboek Maria Johanna Schorer-van de Putte

Strafexpeditie naar de westkust van Guinea 1869

Inzet van Europeanen als arbeiders in Suriname

De invasie van het Mogolse rijk in 1738

Verslag van beschietingen bij Aardenburg van 1 mei 1794 tot 13 januari 1795

Verzuchting van een afgewezen kandidaat

IJsvermaak in Kortgene

Castra Herculis of Witlam?