Dossier: Plunderingen in Middelburg in 1787

Echt Verhaal der Plundering en verdere aangerigte Baldadigheden binnen Middelburg in Zeeland op den 29, 30 Junij, 1 & 2 Julij 1787.

Nevens het voorgevallene na dien tijd tot het in den eed nemen der Schutters van de Schutterij de Edele Busse

[4] Voorberigt

Het is zuivere liefde voor de waarheid, die ons aangespoord heeft om dit verhaal met alle mogelijke naauwkeurigheid na te gaan en te beschrijven.

Wij aarzelden in het eerst om dit door den druk openbaar te maken, en zouden stoutmoedig in het strijdperk zijn getreden voor de waarheid, indien we niet waren af getrokken, zoo uit overdenking, dat ons bekrompen brein te onvermogend is, om zulk eene onderneming te doen, als der gevaarlijke omstandigheden, waarin wij thans verkeeren, welke van dien aard zijn, dat het vergif des lasters, door hulp van het heerschend ongeloof den glans der blanke waarheid geheel verdooft.

[4v] Al het loon van onzen arbeid bestaat dus in het genoegen, om deze geschiedenis als een gedenkteeken van zulke gruwelen te bewaren, of een getrouwen vriend, onder aanbeveling van de diepste geheimhouding, door het lezen te doen zien, hoe aandoenlijk ons hart in die treurige stonden geweest is, tevens smeekende om eene gunstige verschooning der feilen en zwakheden.

De stoffe om de omstandigheden, die na dien tijd zijn voorgevallen, te beschrijven, is een onuitputbare bronwel waaruit verscheidene boekdeelen zouden kunnen zamengevoegd worden, en zou te zeer van ons plan afwijken, dat maar alleenig eene kenschets mogt geven van dusdanige vreeslijke verwoestingen, als in de Stad Middelburg in Zeeland zijn aangerigt.

Wij hebben voegzaam geoordeeld, alvorens tot de zaak te komen, om naar ons krank vermogen de bronader van twist en tweedragt tot in den eersten oorsprong op te delven, door een wijdloopig vertoon te geven hoe en op wat [5] wijze sedert den Engelschen oorlog de verbitteringen trapsgewijze zijn vermeerderd, en eindelijk tot de moedwilligste dadelijkheden losgebarsten, met een omstandig Historisch verhaal hoedanig de Schutterij, Genootschap en Societeiten hebben gehandeld welke bijzonderheden er mede zijn verzeld gegaan, en hoe dezelve zijn vernietigd, om daardoor het verhaal dezer Geschiedenis alle mogelijke klaarheid bij te zetten.

Wij smeeken den Hemel, dat Hij goedgunstig deze Stad en andere Steden of plaatsen in ons dierbaar Vaderland, aanhoudend beveilige voor zulke en andere ongeregeldheden, die niet anders dan verarming der goede Ingezetenen, met welke onze Republiek aan den oever van het verderf gebragt wordt, kan berokkenen.

Twee Waarheidminnaars

[5v] Echt Verhaal der Plundering en verdere aangerigte Baldadigheden binnen Middelburg in Zeeland.

Elk Nederlander kent en gevoelt de treffende gevolgen van den rampzaligen en verdervenden driejarigen oorlog tusschen Groot Brittannie en deze Republiek, waardoor de Oost- en West Indische Maatschappijen niet weinig zijn geknakt en tot heden nog kwijnen, de voornaamste comptoiren verzwakt, en menig vermogend koopman en burger tot een armoedigen staat gebragt zijn. Lang te voren zag men van de zijde van dien Monarchie eene vredebreuk met rasse schreden naderen, alles was aan onze zijde door schandelijk [6] verzuim buiten staat van goede defensie geraakt, en men bleef onder dat vooruitzigt werkeloos zitten, alle vrees voor gevaar scheen bij hun verwijderd, en alle lust om zich tegen eenen niet minder verzwakten vijand te verzetten sluimerde.

Op en na de oorlogsverklaring bleef de vorige traagheid aanhoudend heerschen. De kooplui drongen aan op eene meerdere werkzaamheid, ten einde hunne schepen op zee beveiligd konden worden, dan dit alles was den Moriaan gewasschen; het scheen alsof men met den vijand een verbond getroffen had, om geenen wederstand te bieden, onderwijl speelde dezelve zijne rol, nam al onze rijkgeladen schepen weg, en veroverde de meeste onzer beste bezittingen in de Oost en West Indiën, hieruit ontstond eene billijke ontevredenheid onder de kooplieden niet alleenig, maar ook onder ieder der Inwoners, die de belangen van zijn vaderland aantrok, en eenig medelijden gevoelde over den ondergang van zooveel vermogenden, die tot een steunsel waren voor [6v] ons Staatsgebouw.

Dit alles ontwikkelde zich langs hoe meer, men deed naauwkeurig onderzoek naar de redenen dezer werkeloosheid, en dit gewigtig werk had ten gevolge, dat Zijne Hoogheid, in hoedanigheid als Admiraal Generaal, en aan wien dus de Uitvoerende Magt was toebetrouwd, door sommigen dergenen, voor welke alle zaken deze Republiek betreffende klaar geopenbaard zijn, daarmede wierd beschuldigd, latende echter dit al of niet regtvaardig vonnis ter hunner verantwoording over. Intusschen gaf dit oorzaak, dat hij bij velen in minachting verviel, welke daarenboven ook nog te zien kregen, dat vele hunner gewettigde vrijheden en voorregten gedoken lagen onder eene schors van overheersching, die niet dan met de grootste moeite kon weggeruimd worden.

De Schutterijen, alom in diep verval zijnde, wierden in een beteren staat gebragt en behalve dezelve rigtte men verscheidene Genootschappen van wapenhandel op, om [7] indien de nood het vorderde, hunne privelegiën krachtdadig te kunnen handhaven.

De Provincie Zeeland was, gelijk in alle gevallen, ook hierin de traagste. In andere Provincien waren zij reeds tot den hoogsten trap van volmaaktheid gestegen, alvorens alhier eenige lust tot dat nuttig werk ontvonkte.

Eindelijk rigtte men ook binnen deze Stad Middelburg, in het voorjaar 1784, na bekomen consent van den Magistraat, een Exercitie genootschap op, zij oefenden zich vlijtig en waren in korten tijd zeer vergevorderd.

De leden der Schutterij de Edele Busse, jaloersch over deze hunne vorderingen, wierden aangewakkerd, om mede de wapens aan te gorden, en wierd welras door het aanwerven veler Leden eenigzints van deszelfs kwijnenden Staat hersteld; gedurende eene korte poos oefenden zij zich vlijtig, doch het getal der Leden was en bleef te klein om geregelde manoeuvres uit te voeren, ook mangelde het den meesten ras aan lust, zoodat men oneindig meer vermaak schepte [7v] in een kolfslag te doen, dan de wapens te handteren.

Met het aanbreken der Lente van het volgende jaar hervatte het Genootschap zijne oefeningen, en vuurde in het afnemen des zomers deszelven jaars af, bij welke afvuring een der toen regerende Burgemeesters tegenwoordig was. De Schutterij de Busse was gedurende dat jaar geheel werkeloos.

Ondertusschen ontwikkelde zich allengs een haat tegen het genootschap, die van trap tot trap vermeerderde, deze dit bemerkende, begrepen dat, zoodra er maar mogelijkheid was, om met de meerderheid der Regering te gebieden, hun Genootschap zoude vernietigd worden, zonden in October 1786 Gedeputeerden uit hun midden met voorslagen om de Schutters van het Hof de gemelde Edele Busse, (ten einde gewettigd te zijn), om zich tot een ligchaam te vereenigen doch hunne Voorslagen schenen niet aannemelijk genoeg.

De Schutters wilden dezelve gaarne over [8] nemen mits behoudende het regt van den Eersten rang “en dat de rotsgezellen der Schutterij onder hunne respectieve officieren moesten blijven, dat vervolgens hunne Officieren moesten staan onder den Collonel van de Schutterij”. Zij vonden niet goed zich op deze voorwaarden bij de Schutterij te voegen, en dus bleef men als nog afgezonderd.

Omtrent dezen tijd wierd er ook eene Unie Societeit opgerigt, en gehouden in het Middelburgse koffijhuis op de Balans, welke spoedig een rijk aantal Leden had, waaronder men verscheiden Regenten en Predikanten, mitsgaders de meeste Leden van dit Genootschap tellen mogt. Deze Societeit bij velen in kwade verdenking vallende, deed de haat en partijschappen dagelijks vermeerderen, het uitbraken van schandelijke lastertaal nam toe, en de nooit gehoorde vrijpostigheid had reeds de overhand gekregen; dan deze Leden te wel verzekerd zijnde van hunne onschuld en de zuiverheid hunner bedoelingen, bleven daarin nog volharden. In de [8v] maand Januarij dezes jaars verstoutten zich twee manspersonen, om zonder eenige vrijheid te vragen, hunne vergaderkamer in te dringen, ten einde te onderscheppen wat daar omging; er waren op dien tijd weinig leden tegenwoordig, doch dezelve behandelden deze snaken allervriendelijkst en voerden hun op hunne vragen zulke bondige redenen tegemoet, dat zij van schaamte henen liepen.

Korts daarop zag men een Dankadres nopens de wijze bestieringen en zuivere vaderlandslievende handelingen, sedert den Engelschen Oorlog tot heden gehouden, aan de Staten dezer Provincie, tevoorschijn komen; uit welk een boezem dit is opgewassen en met welke Staatkundige inzigten dit in de wereld verschenen is, laat men aan een ander ter beslissing over; het denken daarover moet ons te vrede stellen, althans in korten tijd waren de teekenaars van hetzelve zeer talrijk, daaronder tellende diegene, die zulks nimmer gelezen hebben [9] op een afzonderlijk stuk papier, om bij het overleggen tegen het gemelde adres aan te rijgen, hun naam of handmerk met een kruisje teekenden.

Geene der Leden dier Societeit of die het Patriottisch Sijstema maar eenigzints waren toegedaan, willen dit dankoffer doen; dit wierd aan de zijde der teekenaars van het gemelde adres zeer euvel opgenomen, en er moest dus noodwendig partijschap en haat uit geboren worden.

De Staten dezer Provincie bleven daarentegen van hunnen kant niet in gebreke om deze liefdedaad met eene vriendelijke dankbetuiging te beantwoorden, voor het genoegen en vertrouwen, dat die Ingezetenen in hun Bestuur stelden, door het toewijden van dit adres, hetwelk ten gevolge had, dat eenige Regenten, zonder voorkennis of medeweten van het overige deel Regeringsleden, zich vervolgens plegtig bij eene acte van verbindtenis verpandden, om (naar hun gevoelen) de belangens van Land, Stad en Volk te be [9v] vorderen, dit doorgriefde het uitgeslotene deel Regeringsleden dermate, dat zij goed vonden, ten einde alle achterdocht te ontwijken, mede eene acte van verbindtenis uit te brengen, in welke zij het trouweloos gedrag der andere in het daglicht stelden, en hun tot alle ware heil van Land, Stad en Volk verbonden.

De meerderheid der Magistraatsleden vonden goed, om in de maand van Februarij 1787 het door hun toegestane excercitie genootschap te vernietigen, en deze geene andere vrijheden hebbende, waarop zij wettige aanspraak konden maken, waren genoodzaakt in zooverre te gehoorzamen, dat zij de excercitie en bijeenkomsten staakten, doch hielden het echter niet voor afgeschaft, schoon de resolutie zulks uitdrukkelijk beval. De Unie Societeit, waarin zij almede geene nuttigheid stelden, wierd bij zekere waarschuwing gearresteerd in ‘t kollegie van Weth en Raad dezer Stad de dato 24 Februarij 1787, almede afgekeurd, op grond dat deze Societeit, niet [10] tegenstaande de zuiverheid hunner bedoelingen, een allerschadelijkst wantrouwen en verdeeldheden moest ten gevolge hebben.

De Leden van het meergemelde Genootschap hadden dit beide lang vooruitgezien, en zijn na langdurige onderhandelingen met de Leden der Schutterij tot datzelfde Hof korts daar aan overgegaan, alle vlijt wierd nu aangewend, om zich geducht te maken, ten einde een woest gemeen, dat al dikwerf de verguizendste taal gevoerd, en bedreigd had dit Hof, wanneer zij hun kans veilig hadden te komen plunderen, te beteugelen, er wierd eene verdeeling gemaakt der Compagnien, en men kreeg dagelijks nog meerder leden, intusschen groeide de verbittering dermate, dat men op den 8 Maart, tijde der verjaring van Zijne Hoogheid, baldadigheden verwachtte, omtrent veertien dagen te voren kreeg de Schutterij een Extract uit de resolutien van Hun Ed Achtbaren de Hrn. Burgemeesteren Schepenen en Raden dezer Stad Middelburg behelzende een verzoek om de excercitie te staken [10v] en eene afvraging aan al de Schutters, of zij zich, in geval van oproer ieder onder hunne onderscheidene wachten zouden begeven, dan niet; op hetwelk na overweging, besloten werd, geene van beide voorslagen in te willigen, doch om niet met den naam van onwilligen beklad te worden, het eerste, om tot na den 8 Maart de excercitien op te schorten, na te komen, doch verder of anders niet, terwijl het andere zijn volle beslag behield. De Majoor der Burgerwachten, welke met die meerderheid der Regering in gevoelens overeenstemde, presenteerde onmiddellijk een request om de Schutters te dwingen, van zich in geval van oproer onder hunne onderscheidene wachten te begeven, het moet zijn dat hierop geene te gunstige apostille verleend is, wijl de Schutters daartoe niet zijn genoodzaakt geworden.

De dag verscheen waarvoor vele menschen reeds lang gesidderd hadden. De Schutters kwamen vroegtijdig bijeen en bewaak [11] ten hun Hof, hielden den ganschen dag en volgenden nacht aldaar post, doch alles is in de beste orde afgeloopen, denkelijk uit vrees van geweldigen tegenstand te otnmoeten.

De gemelde meerderheid der Magistraats leden liet geene middelen onbeproefd, om de Schutterij alle tort aan te doen, de minderheid vandien moest intusschen met den stroom mededrijven, er werd wederom een Resolutie van Weth en Raad uitgebragt, inhoudende eene afvordering van de Schutters, dat zij het regt om in oproer zich van hunne burgerwachten te onthouden, zouden gelieven met overtuigende bewijzen te staven, en verders hunne gewettigde vrijheden opgeven.

Hierop gaven de Schutters een ampel berigt, met bekrachtigde Copien der echte stukken over, inhoudende hunne verkregene privilegien van Keizer Karel in de XVde eeuw, met betoog tot welk einde de Schutterijen voormaals gediend hadden, mitsgaders hoe lang dezelve voor de Burgerwachten waren ingericht.

[11v] Dit wijdlopig berigt, waarvan de verdere inhoud ons onbekend is, scheen het genoegen van de meerderheid der Regering gansch niet weg te dragen, terwijl zij, (oordeelende dat ze als opvolgers van Keizer Karel deze wetten naar welgevallen konden verbreken, en andere in voeren) van zich konden verkrijgen, om in de maand Mei, met de meerderheid van ééne stem aan de Schutters de wapenoefening te verbieden, onder de vergunning van het Schieten met een boog naar de Gaai en Doele.

De Schutters gehoorzaamden hieraan, schortten de excercitien op, en werkstelligden aanvankelijk alles tot de oefening van het schieten naar den gemelden Doele. Thans dacht men, dat hierdoor de hooggerezene partijschappen weder zouden verwisseld worden in eene aangename kalmte, maar Helaas! de volgende rampzalige verwoesting, welke zijn aanvang nam op den noodlottigen Vrijdag den 29 Junij des jaars 1787 zal een ieder die de geringste menschenliefde bezit, van het tegendeel volkomen [12] overtuigen.

Eenige dagen te voren was de Oud Burgemeester van Dordrecht, de Heer Sandheuvel, met een Jacht naar Neuzen en Axel, om affaires die hij daar had, gestevend, na die zaken aldaar verrigt te hebben, liep hij op Donderdag den 28 Junij, des morgens zeven uren, te Vlissingen binnen, onder het opsteken van eene Unievlag, met verwisseling van een ander verscheiden malen, t’geen ras in het oog van het gemeen aldaar liep, die troepsgewijze rondom dit jacht vergaderden om daar over te komen redekavelen. De vijandschap op de Hollanders, maar inzonderheid de Dordtenaars, was zoo groot, dat het de aanstokers weinig moeite kostte, om dit volk tot muiterij te doen overslaan, en al de omstandigheden zijn van dien aard, dat men reden heeft om te vermoeden, (niet te bevestigen) dat er kwaadwilligen onder geroeid hebben; ondertusschen gingen hunne redevoeringen met onweersbuijen van vloeken en verwenschingen verzeld, terwijl zij zich verder [12v] niet ontzagen, om steenen op het Jacht te werpen en te bedreigen, zoo hij niet spoedig vertrok, zij hem daartoe dan zouden noodzaken. Inmiddels hoorde men niet minder het geroep van Hoezee! en Oranje boven! door de lucht schateren, en het zoude waarschijnlijk van woorden tot daden gekomen zijn, indien de Magistraat der Stad Vlissingen op deze beweging niet was bijeengekomen, en na rijp beraad goedgevonden had, om eene publicatie te doen afkondigen, dat dit jacht onmiddellijk zoude hebben te vertrekken, met eene ernstige vermaning aan hunne ingezetenen, om alle bewegingen te niet te doen, of dat men door middelen van regten hen daartoe anderzints zoude noodzaken. Hiervan aan den Heer Sandheuvel kennis gegeven zijnde, vertrok hij spoedig met hetzelfde Jacht van Vlissingen, en kwam op gemelden Vrijdag den 29 Junij 1787, des morgens acht uren hier te Middelburg binnen zeilen.

Men had hier te Middelburg reeds zekere [13] berigten, hoe er met dit Jacht te Vlissingen gehandeld was, dus hadden de Deelhebbers van die vervloekte gruwelstukken die hier na zullen volgen, hunne kans veil, om schikkingen te beramen, hoe deze oogmerken best moesten uitgevoerd worden.

Dit Jacht alhier aangeland zijnde, ging liggen aan de zuidzijde van den Dam, digt bij de kraan. Zoovele als kennisse hadden van het voorgevallene te Vlissingen, vestigden oogenblikkelijk hun oog op de vlag of wimpel van dit jacht; er was van zijne aankomst af reeds gemor onder het gemeen, de een verving den ander, zoodat er vandien tijd af en gedurende den ganschen dag gestadig volk om dat jacht zweefde, dat niets dan vloeken en lasteringen uitbraakte; allengs vergrootte die hoop en met dezelve de haat en verachting, tot dat eindelijk des avonds circa zeven uren, de moedwil alle kluisters verbrak, en in verschrikkelijke woede losbarstte; zij vielen er op aan, wierpen steenen op het zelve en noodzaakten den schipper van [13v] hetzelve Jacht, voorgemelde vlag af te halen en een Oranje daar in de plaats op te steken, dit alles ging gepaard met een ‘Hoezee’ Oranje boven! Zij wilden den schipper aan het lijf komen, doch deze ontschuldigde zich door te betoogen, dat hij alles gedaan had op bevel zijns Meesters, den meergemelden Heer Sandheuvel, die gelukkiglijk destijds niet aan boord was. Ondertusschen voegde zich Doctor van der Kemp, weleer Commandant van het Excercitie genootschap, onder het volk om ze tot bedaren te brengen.

Elk begrijpt, hoe tegenstrijdig dit is, daar hij als zoodanig eenen bij het gemeen bekend stond, en schoon na gedachten van velen achter dat masker de schandelijkste verraderij schuilde, wijl hij eenstemmig dacht met de aterlingen van dat genootschap, zoo was hiervan het dom gemeen echter onkundig. In plaats van hun te stillen, wierden zij daardoor aangehitst, gelijk men ligt beseffen kan, zij vielen op hem aan brag [14] ten hem vele slagen toe, en scheen aldus een moedwillig slagtoffer van het gemeen te zijn tot hij tehuis was.

Dus verre onverhinderd met hunnen moedwil voortgegaan zijnde, ijlden zij vervolgens naar het huis van den graankooper Hendrik van den Berg, in de Schuitvlotstraat, met een geschreeuw waarvan de lucht weergalmde, doch wierden vaak uit de tromp van een donderbus dermate begroet, dat de meesten ras wegvloden, terwijl eenigen moeds genoeg hadden, om in weerwil van het schieten, waarvan er een gekwetst is geworden, de glazen in te werpen.

Deze van den Berg zulk een bezoek niet gewacht hebbende, was onvoorzien van genoegzame ammunitie om dit te kunnen uithouden, dus verweerde hij zich door het werpen van steenen, en uitstorten van kokend water uit een dakvenster op de hoofden van het dol gemeen, die niet ophielden met steenen zijne glazen in te smijten; van steenen en kokend water almede geen [14v] voorraad genoeg hebbende, om dit te kunnen volhouden, was hij genoodzaakt, na vruchteloos wachten op hulp, zijn leven door de vlugt achter over de daken der huizen te redden. Het muitzieke volk, bemerkende dat zij geen tegenstand meer kregen, liepen de deur op, en vielen met eene onbeschrijfelijke woede in het huis, sloegen alles in de benedenvertrekken klein, vertrapten het huisraad en wierpen hetzelve straatwaarts op, dit verrigt zijnde waren hunne dolle driften nog meer aan het hollen, en gingen van daar naar het Huis van Hubertus van Maren, kamerbehanger in den langendelft, alwaar zij de glazen ingooiden, en zouden verder voortgegaan zijn, indien hij niet bedreigd had, dat indien zij verder voortgingen, hij hun met twee pistolen in zijne handen houdende, zou nederleggen, waardoor zij van schrik bevangen dit huis verlieten, en zich van daar begaven naar het huis van deszelfs broeder Anthony van Maren, theeverkoo [15] per in gemelden langendelft, daar zij mede de glazen ingeklopt, maar geen tegenstand ontmoet hebben.

Middelerwijl sloeg de trom alarm, alle de Burgers wierden opgeroepen om zich onder hunne burgerwachten te begeven, velen verlieten door dit middel deze bende, hetgeen die troep muiters zeer verzwakte, en hun een zoodanige vrees voor dezelve (hoe weinig die ook kunnen uitvoeren) aanjoeg, dat zij het niet durfden ondernemen, om verder hunne geweldige neigingen den vrijen teugel te geven.

De Schutters waren in dien tijd ook bijeengekomen en vatten post in hun Hof.

De gunstige lezer heeft hiervoren reeds gezien, dat zij in de maand van Mei laatstleden door eene resolutie van Hun Ed Achtb. geboden zijn zich te ontwapenen, en waren dus ongehoorzaam, indien zij deze muiterij met hunne wapenen wilden dempen, desniettegenstaande vonden zij goed om eene Commissie uit de hunnen naar het [15v] Stadhuis af te zenden, ten einde hunne bereidvaardigheid tot het bedaren van het oproer aan de Regenten reeds vergaderd zijnde, aan te bieden. In ’t begin zou de meerderheid der Regeringsleden, ondanks het verbod van wapenhandel bij hunne resolutie meergemeld, dezen voorslag hebben aangenomen, doch door het lang dralen verscheen er één a twee tegenstanders dezer Schutterij, die inmiddels met een der bodens kennis hadden bekomen, door welkers stem aller flikkerende hoop om de bewegingen te stillen verijdeld wierd.

Het geduld der Schutters, die gedurende al dien tijd ten hunnen Hove in de wapens gestaan hadden, liep ten einde en vergrootte zooveel te meer op ’t hooren der alarmkreet, die alle wijken van de Stad rondging, de drift voor het behoud van hun en hunne medeburgers was zoo groot, dat zij niet tot bedaren te brengen waren, de bedaardste onder hun zochten door krachtige bewijsstukken te overreden [16] dat men moest wachten, tot de gezondene Commissie zoude teruggekomen zijn, om als dan naar bevind van zaken de nuttigste resolutien te nemen, ter herstelling der gewonde rust; dat men voorders de meeste omzichtigheid moest te baat nemen, in het uittrekken, om magt genoeg te hebben, wijl het hunne tegenstanders aan geene middelen ontbrak om dit klein hoopje volks ten prooi te geven aan de in te roepen militairen, de Burgerwachten en een onbesuisd gemeen; dit alles kon den moed der meerderheid niet verdooven. Zij stampvoetten over het noodlot hunner medeburgers, en trokken gewapend uit ten getale van circa 80 man naar de markt tot voor het Stadhuis, alwaar zij zich posteerden en eene nadere Commissie, beveiligd door een piket van zes gewapenden, naar het Stadhuis zonden, om krachtiger aan te dringen op het stillen der bewegingen, of dat men bij weigering van dien in de noodzakelijkheid zoude gebragt worden, om zich zelf die vrijheid aan te matigen, doch alle pogingen [16v] waren vruchteloos.

Deze Commissie bragt na twee uren toevens op het Stadhuis het onvoldoende antwoord der vergaderde Regeringsleden, dat zij hunne hulp niet noodig hadden, en alles met de Burgerwachten wel zouden stillen. Hoeveel gezwets er te voren geweest was, zoo kon het gemeen evenwel toen niet goedvinden om de Schutters aldaar aan te vallen, maar vloden weg op het presenteeren van het geweer; dan om te toonen dat zij geene onwilligen waren, trokken zij af en keerden weder naar het Schuttershof terug, alwaar er besluiten wierden genomen, om, niettegenstaande dit verbod, evenwel tot hulpe hunner medeburgers uit te trekken, indien er dien nacht eenige verdere baldadigheden moesten plaats hebben, intusschen verspiedden zij aan alle kanten van de Stad, of er nog beweging of zamenrotting gevonden wierd.

Het Huis van Van den Berge was inmiddels met twee Burgerwachten bezet [17] en de andere vatten post voor het Stadhuis en elders of patrouilleerden, zoodat hiermede de nacht verliep zonder verdere plunderingen of iets dergelijks aan te rigten.

De Schutters gingen met den morgenstond naar huis en lieten de Schutterij onder bescherming van eene voldoende wacht, en alle de Burgerwachten trokken insgelijks af, uitgezonderd eene Compagnie van dezelve, die op orders van den Magistraat op het Stadhuis de wacht bleef houden. Alles was toen bedaard en het scheen of er niets gebeurd was, tot dien nademiddag om circa drie uren, wanneer het zamengevloeid gemeen weder aan het muiten raakte; zij bezochten andermaal het Huis van meergemelden Van den Berge, dat toen ledig stond, en hervatten het plunderen zoo hevig, dat er geen stukje in heel gebleven is, ‘t geen in korten tijd gedaan was, uit hoofde zij den avond tevoren reeds het grootste deel huisraad vernield hadden; op welk gerucht weder de alarmtrom geroerd wierd, doch het was avond [17v] eer de Burgerwachten opkwamen.

Vandaar wendden zij naar Doctor Lucas van Steveninck Az, die meermalen van hun bedreigd was en zich toebereid had om dit met al zijne magt af te keeren; zijn beneden huis was geheel gesloten, en uit deszelfs bovenvensters lagen de geweren klaar, waarmede hij hun uittartte. Zij zweefden rond om het huis, maar durfden in het eerst niet naderen. Naar mate hunne dolle driften vermeerderden, ontwikkelde hun moed om allengs digter bij te komen. Een jongeling van circa 15 a 16 jaren oud, ondernam het eerst eenige steenen naar het Huis te werpen, en een voorbijgaande troep van karrelieden, die elk en hooivork op hunne schouders droegen, sloegen de glazen van het huis in waarop hij losbrandde en denzelven jongeling trof, dat hij ter aarde zeeg en onmiddellijk overleed. Geen van zijne makkers durfden kort genoeg onder het geweer komen, om dezen jongeling weg te nemen tot eindelijk een zulks waagde en hem [18] bij zijne ouders te huis bragt.

Korten tijd daaraan wondde hij er nog eenen zeer zwaar, hetwelk een Wijnkoopersknecht zijnde, van zijn werk aldaar was voorbij gekomen, en gemelden Steveninck uittartte; toen brak de wreedheid los en ontwrong alle banden, zij stampvoetten, vloekten en bedreigden hem te vierendeelen, zoo hij een prooi van hun mogt worden. Dit alles schrikte hun zoo ’t scheen niet af, maar zetten hun moedwil verder voort. Na lang beraad wierd het volk te rade, om kanon op te zoeken, ten einde hem daarmede te kunnen overmeesteren ’t geen hun vaak gelukte. Zij vonden een a twee stuks vijf a zesponders en dwongen den schipper van het Oost Indisch Compagniesjacht, om hun twee stukjes van drie a vierponders te geven, onder belofte dat zij het, na het bedoelde oogmerk daarmede te hebben bereikt, ter behoorlijker plaats weder zouden verzorgen, hetwelk hij genoodzaakt was te doen. Terwijl dit geschiedde kreeg eene der 24 Burgercompagnien, welke [18v] gewapend op de markt stonden, bevel van den Magistraat, om het huis van gemelden Van Steveninck te bezetten, riep hij hun toe: “dat hij hunne hulp niet behoefde, zij meerder kwaads dan goed konden verrigten, en hij in staat vermeende te zijn om zich zelven zonder hun te verdedigen”. Weshalven hij hun aanraadde weder te willen vertrekken. Hoe weinig zij wegens ongeoefendheid konden uitvoeren, en daarbij naar schijn onvoorzien van orders om deze muitelingen te verjagen, zoo waren zij echter zeer gebelgd over dit affront, en trokken onvergenoegd weder af.

Het oproerig volk, nu voorzien van kanon, plantte hetzelve in de Sint Jorisstraat, schuins over het Huis van voornoemden Steveninck, en verbeeldde zich in een oogenblik dit huis tot een puinhoop te zullen gemaakt hebben.

Het kanon met stukken ijzer, steenen enz geladen zijnde, wierd de bataille van weerskanten hevig aangevangen. Zij die [19] hun met het gemelde kanon behielpen, hadden eene verschansing in die straat, daar de zelve schuins over het gemelde huis gelegen is, en hadden dus het kanon meer eenige treden terug te halen, om in veiligheid te kunnen laden, terwijl dit een middel was, dat zij voornoemden Steveninck noch deszelfs huis weinig kwaads konden toebrengen, om reden al de kogels afschampten, waarvan er gevlogen zijn tot bij de Oude kerk, alleenig kostte het genoegzaam alle de glazen der neven- en overburen, door het dreunen van het geschut en donderbussen. In dit hevig gevecht is er nog een van de muiters, die bezig was met het kanon te stellen en te laden, zoodanig in zijne lendenen getroffen, dat hij eenigen tijd nadien is overleden.

De Regering alle hulp der Schutterij verwezen hebbende, en overreed van de magteloosheid der Burgerij, bevreesd geworden zijnde, dat dit geval het gemeen derhalve zoude verbitteren, dat zij met deze weerlooze manschappen den verderen moedwil niet [19v] zouden kunnen breidelen, hadden dien avond om eenige militaire manschappen naar Vlissingen en Vere gezonden, die dezen nacht circa twaalf uren kwamen inmarcheren, zich posterende op de groote markt, alwaar zij onmiddellijk met brandende flambouwen in den Stedelijken eed genomen zijn; van welke een escorte met een Stadsbode gezonden wierd naar het huis van gemelden Steveninck, om hetzelve te bezetten, en de verstoorders vandaar te verdrijven. Men zag dezelve, door vrees bevangen, hun geschut verlaten en wegvlieden op het zien naderen dezer militairen; gemelde Steveninck dit bespeurende staakte almede het schieten.

Hierop vervoegde zich een Stadsbode aan het gemelde Huis (die met eene Commissie van den Magistraat voorzien was, inhoudende of Steveninck zich als nu aan de Militairen beliefde over te geven), schelde aan, de deur door een der dienstboden van gemelden Steveninck geopend zijnde [20] vroeg de Stadsbode of haar Heer niet te huis was, en zij niet wist, waar hij gebleven was, zijnde de Stadsbode als toen wederom naar het Stadhuis teruggekeerd en rapport van zijn wedervaren gedaan.

Dat korten tijd nadien eene Commissie van Regenten uit den Magistraat met een Stadsbode zich begaven naar ’t huis van gemelden Steveninck, en aldaar alles hebben onderzocht, doch niets verder hebben kunnen ontdekken, dus was deze Commissie genoodzaakt onverrigter zake terug tot hunne Committenten te keeren, en men wist niet waar gemelde Steveninck benevens deszelfs bijstanders gebleven waren, althans voornoemde militaire manschappen bezetten het huis en de opstand scheen gesmoord te zijn

Circa 4 uren in den morgenstond van den 1sten Julij werd er eene Publicatie gedaan, waarbij Hun Ed Achtb de Heeren Burgem. & Schepenen dezer Stad beloofden eene premie van Een duizend guldens aan [20v] dengenen die gemelden Lucas van Steveninck Az in handen der Justitie levendig wist te brengen, zijnde dit tot groot genoegen der muiters en men hoorde sterk geschreeuw Hoezee!

Er daagde nu een flikkerende hoop, dat door dat verrigte en de komst der Militie alles gestild, en het verder plegen van baldadigheden zoude gestuit worden, doch ras verdween dezelve, toen zij den zelfden morgen circa vijf uren hun euvelmoed op nieuw koelden met het huis van meergemelden Steveninck weder te beschieten. De Militairen, denkelijk geene orders hebbende om geweld met geweld te keeren, en in geval het noodig was te schieten, konden of wilden deze woeste benden niet terug houden, of lieten hun met oogluiking overmeesteren – althans zij trokken af en lieten dit huis ten prooi dier moedwilligen, die zich beijverden in het beschieten van hetzelve, en plantten laatstelijk het kanon voor hetzelve Huis, waarmede [21] zij de deur openschoten.

Toen waren zij geheel meester, maar niemand was in ’t begin vrijpostig genoeg om daarin te gaan, wijl meergenoemde van Steveninck bij zijne vlugt op de batterijen van eenige geladene geweren lonten gelegd had, die op onderscheiden tijden hunne werkingen deden, waaruit zij vermoedden, dat hij nog aanhoudend schoot; dit vermoeden ging gepaard met vrees, aangezien hij zich dikwerf had uitgelaten, dat zijn laatsten toevlugt zou zijn (indien hij aangerand mogt worden) om alles te laten in de lucht vliegen; dan na weinigen tijd hierover met elkander te hebben geraadpleegd, waagde het ten laatste eenen om in het huis te gaan, waarop alle de anderen hem spoedig volgden, en als wreede tijgers in het huis vielen. In korte oogenblikken waren de glazen ingeslagen, al het huisraad verbrijzeld, op straat geworpen, de bedden opengesneden, waar van de pluimen hemelwaarts steigerden en toen wierd het breken van Dak, voorgevel [21v] en ramen met zulk eene drift voortgezet, dat men ooggetuige moet geweest zijn om dit te kunnen verbeelden.

Inmiddels wierd op bevel der Regering de Stads Brandspuit gebezigd om de kelder vol water te spuiten, ten einde Steveninck, indien hij zich daarin nog schuil hield, door het water te doen smoren, ’t geen nogthans van weinig effect was, wijl het water daar uit loosde, zoodra het er in kwam, en zulks moest gedaan worden door de reten van den keldertrap, waarbij niet konde genaderd worden, zoo door het werpen van goed en steenen, als ’t vliegen van pluimen. Wanneer nu alles vernield en de straat met puin geheel bezaaid was, ontwaarden zij eerst het vertrek (afgezonderd van de andere door een steenen muur, daar de deur even als deze muur bepleisterd was) waarin zijne meeste huissieraden geborgen waren. Een hoezee! dat de lucht met galm vervulde, kondigde dit aan, als hongerige wolven verbraken zij in [22] eenen zeer korten tijd al het kostelijke goed dat daar opgesloten lag, waarover een gevoelig hart moest bloeden, op het zien dezes Schouwtooneels, van alle tijden zoo afschuwelijk niet vertoond; zij wierpen het al door een raam van dat vertrek straatwaarts op, die wel vijf voeten hoog opgehoopt lag met vernield goed, en al hetgeen dat nog niet klein genoeg geoordeeld wierd te zijn, mogt de handen der benedenstanders, aan wie het geen geringer tol betalen moest, doorgaan.

Dit alles hield deze gedoemde geweldenaars bezig tot omtrent den middag, eenige daarvan vloden naar den timmerman Dirk Kuijpers in de langevijle, die zich met eene batterij in deszelfs voorhuis gefortificieerd had, doch op vriendelijke aandrang van Hun Ed. Achtbare al zijne wapens aan een Stadsbode overhandigd, onder beding dat welgemelde Magistraat als dan voor de schade moest instaan, die aan hem of deszelfs goederen toegebragt wierd. Na deze bende met wijn beschonken en eene Oranjevlag [22v] uitgestoken te hebben, raakte hij dezelve kwijt. Intusschen wierden er eenige Manschappen Militairen voor zijne deur geplaatst. Hun Ed. Achtbare ontboden hierop den Majoor der Schutterij ten Stadhuize en vroegen hem af of zij besloten hadden, hun Hof te verdedigen, dan of zij niet zouden goedvinden dit maar vrijwillig over te geven. Waarop dezelve uit naam van alle de in gemelden Hof bijeen zijnde Leden (na vooraf aangetoond te hebben dat zij ten allerklaarste bemerkten, dat alle op hun zoude aanvallen, wijl er geene middelen gespaard wierden om hen tegen te werken) het gemelde Schuttershof met zijn toebehooren overgaf in de bescherming van Hun Ed Achtb, onder die billijke verwachting, dat er behoorlijke voorziening tegen alle geweld zou genomen worden.

Dit besluit en deze betuiging kwam ras aan de ooren der booswichten, dezelve plantten eene bloedvlag voor het Stadhuis, van waar dezelve na een korten tijd ge [23] staan te hebben, wederom wierd weggenomen en de muiters gezamenlijk ijlden naar het voorzeide Schuttershof, hetwelk zij onbewaakt vonden, doordien de wachthebbende Schutters sedert de overgave zich met de vlucht hadden gered en de deur opengezet, dus geen tegenstand vindende, viel dit naar wensch uit. De meiden van dat huis waren alleenig daarin gebleven, en stelden hun vermogen te werk, om het volk tot bedaren te brengen, maar alles was vruchteloos en moesten de geweerkamer enz aanwijzen, wilden zij wreede mishandelingen ontwijken. Het eerste werk was de geladen geweren te lossen, en dezelve nevens alle de andere wapenrustingen als een veroverde buit naar het Stadhuis te brengen, alles echter met vermindering van hetgene dat in stukken geslagen en geroofd is. Van daar naar het gemelde Hof wedergekeerd zijnde, nam de verwoesting een aanvang in ’t voormelde Huis, vernielden alle de Meubelen, kostbare Schilderijen en de portretten der oude Schutters, van de op [23v] rigting des gemelden hofs aan door kunstenaars uitgevoerd, op zijn minst wel f. 10,000,- waardig, de kolfbaan beneden in het onderhuis liggende, werd nevens al het huisraad van den kastelein geheel verwoest, in een woord er is niets vrijgebleven, tot de twee trommels toe, behoorende aan de Provincie, dienende tot de trekking der Negotiatie Loterijen, die in behoeve van welgemelde Provincie gedaan worden, zijn zelfs nog beschadigd; twee kastjes mede welgemelde Provincie toekomende, zijn tot stukjes verbroken, onder voorwendsel dat zij met moord priemen opgevuld waren, niettegenstaande dezelve slechts geschikt zijn om de nummers en prijzen van de loterijen, die opgerold en met een ringetje omtogen worden, te steken op pennetjes ten dien einde op de boorden van voorzeid kastje genageld. Dit alles gedaan zijnde, verbrak de laster alle kluisters en speelde hare rol op zulk eene verachtelijke wijze, dat een mensch, die eenige liefde voor de waarheid gevoelt [24] gruwt op het gedenken aan de dierbaarste eeden, die er gedaan zijn om te bevestigen dat er papieren gevonden waren, door de Schutters onderteekend, waarbij zij eene zamenzwering zouden gedaan hebben, om al wat leven ontvangen had, dat voor het Oranje Huis ijverde, om te brengen, zonder verschooning. Zelfs van de kinderen aan de borsten der moeders, dit alles, zoo men waande, zou hebben moeten voorvallen korte dagen na dezen, en om dit des te gemakkelijker uit te voeren, zouden zij aanschrijvens gedaan hebben aan de Auxiliairen in Holland, om bij dit moordtooneel tot hulp te wezen, alles scheen bij hun volkomen bewezen te zijn, terwijl de pinnetjes in meer gemelde verbrijzelde loterijkastjes, naar hun verdicht gevoelen, tot priemen zouden hebben moeten dienen, om de menschen te doorboren, en hoe ongegrond toch, wijl zij slechts de lengte bereiken van twee duimen en bovendien niet eens puntig zijn. Voorders wierden er eenige sleutels en haken gevonden die aan een ring aangerijgd waren [24v] waarmede zoo zij waanden, de Stadspoorten bedektelijk zouden geopend en die vrij corporisten tot hunne hulp ingelaten zijn geworden, dan naderhand bleek het klaar, dat deze sleutels toebehoorden aan een smid, welke medelid van de Schutterij was en dezelve, bij gelegenheid gemelde smid de wacht aldaar had, ontboden was ter Statenkamer, om twee sloten waarvan de sleutels gemist wierden, te openen, aldaar had laten liggen, ondertusschen hadden de verdichtsels wieken van ongemeene snelheid, en een ieder hunner hield ze voor gewijder dan het heilig Evangelium. Allen die het tegenspraken uit overreding van de onwaarheid dezes, wierden als medeplegers verdacht, en dus moest men geduldig afwachten den tijd, welke dien venijnigen laster zoude verlichten; het was intusschen een middel dat geene Schutters zich gedurende deze plunderingen en zelfs dagen nadien, op straat durfden begeven, uit vrees voor de verwoedde menigte, die hun [25] dood gezworen en een Waldenzer vervolging bedreigd hadden. Dus verre hun euvelmoed geboet zijnde, hoopte men op stilstand, doch dezelve was nog niet geheel voldaan, nu konden zij ook veilig voortgaan, en behoefden geene vrees meer te hebben voor de Schutters. Zij verdeelden zich wijders in vier a vijf onderscheidene troepen, en als dan groeide de verwoesting elk oogenblik aan.

De Lezer verschoone ons, zoo er eenige misslagen insluipen over de volgorde der geplunderde huizen, omdat zij soms op verscheidenen plaatsen bezig waren, en de verwarring destijds onbeschrijfelijk was.

Van het Schuttershof gingen zij andermaal bij voornoemden Dirk Kuijpers, en in plaats dat dezelve nu zoude bevrijd gebleven zijn, hebben zij alles aldaar klein geslagen, zonder iets te verschoonen, zelfs de schuiframen van het voorhuis wierden uit deszelfs plaats gewrongen, na welke plundering er Militairen bij dit huis gesteld zijn, om de dieverij voor te komen gelijk bij de meest geplunder [25v] de huizen insgelijks geschied is. Een andere troep bezocht onderwijl Jacob Vinke in de lange Gortstraat, en vielen met een ongemeene drift deszelfs Huis aan, een piket Militairen daarna toetrekkende, kregen order dit geweld tegen te gaan, zij velden het geweer en dreven de moedwilligers spoedig de straat uit, terwijl dit geschiedde, kwamen zij van den anderen kant weder toevloeijen in rijken getale, de Militairen trokken af en gaven dit huis al weder ten prooi der geweldenaars over, die in korten tijd het grootste deel des huisraads verbrijzelden en daar mede de straat dekten.

De Militairen werden voorts in piketten verdeeld, en hadden overvloedig werk met het bezetten der huizen, daar geplunderd wierd, en het bewaken dergene die reeds geplunderd waren. De Burgerwachten, tijde tevoren door de alarmkreet opgeroepen, dienden tot onderstand der militairen en om de poorten die gesloten waren, te bezetten, doch het scheen dat [26] geen van beiden eenige orders tot verwering hadden bekomen.

Eene partij der Muitelingen overvielen des middags bij het ingaan der kerk het huis van den Metzelaar Jan Fris, in de Reigerstraat, alwaar zij na het verbreken van glazen en meubelen al hetzelve op straat wierpen, zijnde de overblijfsels gelaten voor eene andere partij, die zulks des avonds ten zeven uren weder hervatteden en al het overige vernielden.

De Suikerbakker Andries Koster in de Giststraat moest al mede dit noodlot ondergaan, is ook geheel verarmd en van alles ontroofd, tot zelfs het kostelijk suikergoed, dat met de voeten wierd vertreden.

Kort daarop wierden op order van Hun Ed Achtbare alle de straten aan de markt uitkomende, met Burgermanschappen bezet, om daardoor het Stadhuis veilig te houden. De Gravestraat was met dubbele gelederen beslagen, ten einde, zoo men ver [26v] moedt den Majoor Nebbens (wiens edelmoedigheid genoegzaam aan allen bekend is) te beschermen en wierd door evengemelden Majoor aan de Officieren uitdrukkelijk bevelen gegeven, om niemand daar voor bij te laten gaan; deze orders wierden getrouw nagekomen tot zoolang de beschieters van meergenoemden Stevenincks huis kwamen aanrijden met hun kanon, om hetzelve te vervoeren voor het huis van den Heer Oud Burgemeester Le Sage in de langendelft; zij hadden geen moeds genoeg deze te wederstaan maar lieten dezelve onverhinderd voorbij. Wie ziet niet het ontzag dat de plunderaars reeds verkregen hadden! Aan het huis van den voornoemden Heer Oud Burgemeester Le Sage komende, wierden zij door eene bezetting van Militairen voor dat huis postvattende, teruggehouden hun kanon daar te plaatsen, en vonden zich genoodzaakt dit voornemen te staken en van daar te begeven. Onderwijl waren hunne medepligtigers bezig met het huis van den Grutter Jan Sanders in de Seisstraat gedeeltelijk [27] op den grond te halen en de hoogste baldadigheden aldaar te plegen, verscheurende zelfs het linnen in eene groote kwantiteit bij hem gevonden, en verbraken de grutmolen geheel. De paarden op den stal staande hadden zij het leven benomen, zoo niet de voorspraak van eenige hun daarvan had afgetrokken.

De wraakzucht was reeds tot zulk een hoogen trap gestegen, dat het behalve de goederen ook nog op de personen gemunt wierd, hij had gemeend beveiligd te zijn met de Stad te ontvlieden, en was ten dien einde de langevijlepoort uitgegaan, om ergens eene uitkomst te zoeken, doch wierd ras door eenige vervolgd, aangerand en op eene allerdeerlijkste wijze geteisterd, geslagen, geschopt, gesmeten en vertrapt, dat hij meende onder dezer booswichten handen het te zullen besterven; vervolgens persten zij hem eeden af, waarvoor elk mensch schrikt en beeft; dit alles ging gepaard met de zwaarste vloeken en bedreigingen. Welke eeden bestaande in het afzweren van zijne gevoelens en het [27v] omhelzen hunner denkwijze hij met gebogen knieën moest uitroepen, om aan hunne snoode eischen te voldoen.

Terwijl dit geschiedde, was er eene partij begonnen met het bederven van het huis van den Notaris Gerardus Beljaart op Seisdam, daar alles verdelgd is, tot de papieren en documenten zoo tot deszelfs practijk behoorende als anders; in geen vertrek is er iets heel gebleven, de behangsels en kasten zijn verbroken, de ijzeren staande platen uit den muur geligt en een aantal van geld, toekomende zoo aan weezen als aan hem zelve weggedragen; de zoldertrappen aan stuk geslagen, de boomen achter in den tuin staande, gedeeltelijk afgehouwen, en al de pannen van het huis geworpen.

Gedurende deze verwoesting werd er een moordtooneel geopend, daar elk mensch van gruwt die maar eenig gevoel heeft van menschenliefde: Een manspersoon, ook een muiteling zijnde, was vóór alle de baldadigers in huis gegaan, en naar eene bovenvoorkamer geloopen, alwaar [28] hij zoo men zegt twee pistolen gevonden en die buiten het venster afgeschoten heeft, andere zeggen dat er uit den beneden voor het huis staanden troep zoude geschoten zijn, althans daar is een van de Militairen, daar post vattende, gewond geworden, waarop de Officier, niettegenstaande hij geene orders van vuren had, beval daarop los te branden, zij vuurden met twee peletons eens of tweemaal, waardoor er 2 boeren gedood en meer gekwetst zijn, hierop trokken de Militairen af en lieten alles aan het gespuis over.

Voornoemde persoon, uit vrees van getroffen te worden, had zich in eene kast verschuild; de woedende menigte viel in het huis en vond dezen persoon in die kast zitten, gelijk zij in dit vertrek ook twee pistolen vonden, zij vermoedden dat hij in dat huis gesteld was om hetzelve te verweren en ook die twee boeren doodgeschoten had, waarom zij op hem aanvielen en denzelven Godvergetenlijk mishandelden. Alle zijne plegtige betuigingen, dat hij mede een plunderaar was, konden bij hen geen [28v] invloed vinden. Zij wierpen hem uit een bovenvenster benden op de straat, welke verrigting vergezeld ging van een vreeselijk gevloek en geschreeuw. De benedenstaande, hem ziende vallen, beschouwden dien ongelukkige als een patriot (want dat woord te hooren was een vuur dat steeds hunne wraaklust meer en meer verhitte) zij namen en bonden hem op een stuk plank, wierpen hem in het Molenwater, dat voor de deur henen loopt, ’t geen destijds meer als half vol water was. Hoe sterk ook gefolterd, had hij nog krachts genoeg om naar den kant te klauteren en gebruik te maken van zijne verzwakte vermogens. Den kant genaderd zijnde, namen zij een paal en stootten die zoo lang op deszelfs hoofd, dat de dood er langzaam op volgde, vervolgens rukten zij hem uit het water, gebruikten zijn dood ligchaam tot een dansvloer en vertrapten het geheel plat, daarna wonden zij hem een touw om den hals, sleep [29] ten hem even als een beest onder een geroep van: “Hoezee! Zoo leeft men met de Partriotten! over de vlasmarkt naar het Stadhuis, tot voor de vierschaar, waarin de Magistraat vergaderd was, om te toonen welke heldendaden zij verrigtten tot behoud des Vaderlands, waarop zij de Leden der Regering deden tevoorschijn komen, en vertoonden hun het gemelde doode ligchaam en riepen in presentie van dezelve uit: “Hoezee! De Magistraatsleden verschrikt door dit hagchelijk schouwspel, verzochten hun dit onherkenbaar ligchaam te brengen naar het Schouwhuis, ’t geen zij onmiddellijk deden, sleepten hetzelve door de lange Noord Straat en rustten eenige oogenblikken met hetzelve voor het huis van den franschen kostschoolhouder Rabines, alwaar zij eenige slagen met een zwaren stok op het voorschreven doode ligchaam gaven, dusdanig dat het ingewand er uit kwam, roepende weder met een luide stem: “Hoezee! en sleepten het eindelijk naar ‘t gemelde Schouwhuis [29v]en stuwden het aldaar in een put.

Nog onvoldaan met alle hunne verwoestende verrigtingen, bezochten zij het huis bewoond door den kleermaker Jacobus Romaal in de Heerestraat, toebehoorende aan den na te melden Metselaar van Loon, vernielden al het huisraad dezes mans, en beschadigden zeer het huis.

De evengemelde Metselaar Hermanus van Loon op de wal, moest almede de woede dezer dolle ijveraars ondervinden, zij hebben onderscheidene malen na den anderen bij hem geweest en verre het grootste deel zijner meubelen in stuk geslagen, vertrapt en op straat geworpen.

Onvatbaar voor reden en op ’t laatst met geen drank te paaijen, ondervond de Griffier van de Rekenkamer, de Heer Jan van Ezen op de Rouaansche kaai, ook hunne onbesuisde handelwijze. Hij had verscheidene troepen met redenen overtuigd, wijl er onder gevonden wierden, daar nog eenige menschelijkheid in was, en had zich met [30] dezelve bezig gehouden van des morgens af tot kort na den middag, wanneer hij door eenige razende muiters overvallen wierd, waar voor hij de vlugt moest nemen, om zijn leven te behouden, gelijk hij dan ook dadelijk de Stad uitging, en niet voor langen tijd daarna is wedergekeerd, niets in het geheele Huis is heel gebleven, het huis zelve is bitterlijk geteisterd, de straat was opgehoopt met meubelen, vele goederen wierden in de kaai geworpen, al het kostelijke huisraad, benevens het goud en zilver vertreden, en hetgeen maar van eenige waarde was schandelijk gestolen.

Tegelijkertijd wierd er insgelijks geplunderd bij den Nederduitschen Predikant Johannis de Fremerij, digt daarbij wonende, deze predikte dienzelfden nademiddag nog het woord Gods aan de Gemeente, voor het naar de kerk gaan wierd hem reeds berigt, dat hij ook in het noodlot zou deelen, en bij het uitgaan derzelve rekende hij zich in deszelfs huis niet meer veilig, besloot derhalve met een rijtuig naar deszelfs buiten [30v] plaats te rijden, dan hij wierd door eenigen ras vervolgd, dus was goede raad met geen goud te koopen, bedenkt eens in welk een angstvallig tijdvak deze waardige man zich bevond, opgespoord door vijanden die hij nimmer eenig leed had toegebragt. Hij neemt het besluit naar het Sloe te rijden, ten einde aldaar de vlugt te nemen; daar komende, verdacht de Schipper hem dat hij vlugtend was, inmiddels kwamen eenige woeste Arnemuidsche Schippers toeschieten, die hem momentlijk op het lijf vielen, en zoodanig mishandelden door vuistslagen als anders toe te brengen, dat hij niet zonder hulp het rijtuig konde opklimmen. Buiten staat om over het gemelde Sloe weg te komen, wierd hij terade naar Vlissingen te rennen, om bij zijn aangehuwden broeder, de Heer Secretaris Schorer, eene schuilplaats te zoeken, daar hij dan ook den tijd geweest is voor zijn vertrek naar Holland.

Zijn huis en goederen zijn gelijk bij alle anderen eene prooi der baldadigers ge [31] worden, met zijne kostelijke huiscieraden was de straat overdekt, tot in de kaai waren de goederen geworpen, uitgezonderd eenige welke in een pakhuis achter deszelfs huis waren geborgen, zijne overschoone Bibliotheek is mede gedeeltelijk verscheurd, tot den Heiligen Bijbel incluis. De woede dezes volks was zelfs zoo hevig, dat zij bij den Heer F.J. van Citters, daarnaast wonende, twee vertrekken geheellijk hebben geplunderd, niet beter wetende of al hetzelve was toebehoorende aan gemelden Heer de Fremerij, dan middelerwijl dit ontdekkende staakten zij zulks spoedig.

Onderwijl hadden zich eenige Arnemuidenaars gewapend en kwamen vereenigd, met hunne beide Burgemeesters aan het hoofd, op deze Stad af, om hunne bereidvaardigheid aan te bieden, zoo zij tot hulp konden gebruikt worden. Aan de Dampoort komende, vonden zij dezelve gesloten en de bruggen opgehaald, om hun den toegang tot de Stad te beletten. De burgemeesters ver [31v] zochten aan den kapitein der aldaar posterende Burgerwacht, om evenwel als gevolmagtigden van deze manschappen toegelaten te worden, opdat zij met Hun Ed Achtb. konden spreken over dit aanbod, dit gebragt zijnde ter kennis van dezelve kreeg de Auditeur Militair bevel om deze gevolmagtigden binnen te laten. Voor H Ed Achtb. verschenen zijnde, wierden zij bedankt voor derzelver bereidwilligheid, met welke dankbetuiging de afgevaardigden weder tot hunne lastgevers keerden om hiervan verslag te doen, die daarop alle hunne geweren losten en gezamenlijk huiswaarts keerden.

In al dien tijd waren de kwaadwilligers gedurig voortgegaaan en van den Heer de Fremerij gesneld naar den glazenmaker Johan Philipse op de Londonsche kaai, welke eenige dagen tevoren met zijne vrouw uit de Stad gegaan zijnde om hunne familie te bezoeken, buiten staat waren eenige goederen of effec [32] ten te bergen. H Ed Dochter was alleen met de meid te huis gebleven, had geen sleutel om al die afsluitingen te openen, en vreesde voor geen gevaar, zoodat dezelve niets zoude behouden hebben, zoo niet door de waakzaamheid derzelve Dochter onder het plunderen nog het een en ander was teregt gebragt, onder anderen een geheele bundel effecten, die zij daags daaraan onder de puinhoopen gevonden heeft. Behalve het vernielen der meubelen hebben zij al het Goud en zilver, nevens eene partij geld in de kaai geworpen,’t geen alles een buit geworden is voor de bootsgezellen van een aldaar liggend Engelsch vaartuig. De meid heeft, gelijk op meer andere plaatsen daar geplunderd is, op aandrang der plunderaars zelve haar goed behouden.

Van hier vertrokken zij naar den koopman Hendrik Jan Halfman, wien het noodlot mede trof om alle zijne goederen te zien in stuk slaan, en van vele beroofd te worden.

Weinige van deze boosdoeners tijgden de [32v] buren aan van den schoenlapper Isaac Bastiaanse op den Kousteenschen dijk, om het huisraad van denzelven mede te verdelgen, die om aan hunnen wreveligen aard den vrijen toom te geven, weinig noodig hadden, om daartoe te geraken. Zij bedierven alles, en lieten niets dan een beschadigd Huis over. Gelijk het op dezelfde manier ook is gegaan bij Jan Rosendaal, mede aldaar woonachtig.

Eene andere partij was inmiddels bezig met glazen inslaan en alles in het benedenhuis te verwoesten bij den winkelier Gerrit Sleutelenberg in de Brak straat, van waar zij zich andermaal begaven naar den kamerbehanger Hubertus van Maren in den langendelft, en slaagden nu beter in het voornemen dan voorheen, wijl hij, met de Schutterij ontwapend zijnde, geen tegenstand konde doen. Zij verbraken al het huisraad, meubelen en goederen, dat maar gevonden wierd, verscheurden behangsels, ta [33] pijten en voorts alles wat tot zijn winkel behoorde, dat gelijk bij de anderen alles op straat geworpen wierd.

Het huis van den Oud Burgemeester Le Sage meergemeld schuins over het huis van denzelven, was in al deze omstandigheden steeds met militie bezet geweest, ’t geen veel opmerking verdient wijl zij des Burgemeesters huis wel beschermden, maar slechts, benevens eene voorbijgaande patrouille, bloote aanschouwers bleven van deze rampzalige verwoesting, trouwens dezelve konden niets uitvoeren zonder behoorlijke orders.

Ter zelver tijd, zijnde des avonds negen uren van den 1 Julij 1787, wierden er eerst op de markt, en in weinige oogenblikken alom in de stad illuminatien aangestoken, ’t geen geschiedde op aandrang van het gemeen, die in al de straten omgingen, ten einde dit aan te kondigen, met de gruwelijkste bedreigingen aan de nalatigen.

[33v] De kruidenier Johan Hendrik Thehof op de Vlasmarkt was al mede noodlottig genoeg, om van eene partij roofzuchtigen overvallen te worden, die hem onaangezien alle smeekingen geheel ten onder bragten, en niet ontzagen om alle de kruidenierswaren van denzelven met voeten te vertreden.

Desgelijks handelden zij ook met den wijnkooper Christiaan Clement, die korte jaren voor dezen (zoo men meent) in Compagnieschap getreden is met Mejuffrouw Susanna Wijbo, weduwe de Heer Andries van der Poest, mede op de vlasmarkt en naast elkander wonende, bij welken eerst genoemden niets van het huisraad heel is gebleven, alles in stuk en op straat is geworpen, terwijl bij de laatstgemelde alleenig de achtervertrekken zijn geplunderd en verwoest, zoo als hun wijnpakhuis al mede geheel is verdelgd; deze geweldenaars zich niet vergenoegende met zich allen dronken te drinken, sme [34] ten in ’t laatste alle de flesschen, waaronder de fijnste wijnen in stukken, trokken de tappen uit de vaten en kuipen, zoodat de wijn, wel tot een voet hoog in den kelder staande, door eene goot wegliep, zij zeilden met volle emmers en flesschen tot midden op de markt, en naar elders, om daar hun zuiplust te verdooven, hetgeen de vreugde over de aangestoken illuminatie grootelijks vermeerderde; de Militairen, in plaats van het geweld te stuiten, deden ook mede, een derzelve, zijnde een grenadier, door dronkenschap in den kelder nedervallende, zou in den wijn hebben moeten smoren, indien op dat oogenblik geen menschen tot zijne hulp waren toegeschoten.


Een zeker persoon vergiste zich ondertusschen niet weinig, hij meende een vaatje besten wijn te sloopen, doch daarmede te huis komende, ondervond hij dat het Keulsche genever was. Men rekent den wijn zoo baldadig uitgezopen als op eene beestachtige wijze weggeholpen, ruim op zestig oxhoofden [34v] welke verwoesting niet voor des anderen daags ’s morgens, zijnde den 2 Julij 1787 circa 10 uren een einde nam, wanneer zij het treurtooneel sloten met den theekooper Anthonij van Maren in den langendelft andermaal te bezoeken, en het overschot van alle zijne goederen te vernielen, behalven al deszelfs huisraad wierden de kassen thee bij hem in voorraad van onderscheidene soorten gevonden, in stukken gebroken, uitgestort en met voeten schandelijk vertreden.

H Ed Achtb. ziende dat het plan nog niet uitgevoerd, en met het volbrengen deszelven de Stad van de bloem des burgerstaats geheel zoude beroofd worden, beraamde zoodanige middelen, dat in zeer korten tijd de verwoesting een einde nam; gaven dierhalve den vliegenden Mercurius, die in al deze omstandigheden tot boodschapper gediend heeft, volle last om dit te bewerken, die geen vlijt spaarde om die order met al [35] len spoed uit te voeren, hij vervoegde zich bij de woeste muiters, en vraagde hun in naam van Hun Ed Achtbare of hun euvelmoed nog niet gekoeld was? hun verder noodigende, om met hem naar het Stadhuis te gaan, dat de Oranjevlag aldaar van den toren reeds waaide, en dat dezelve op den abdijtoren zoude opgeheschen worden, en Hun Ed Achtb. zich eenparig voor zijne Hoogheid verklaard hadden, Hoogst Dezelve alle zijne ambten zoude wedergeven en in alles herstellen; dit was een overschoonen vond, wijl Zijne Hoogheid van wegens deze Provincie niets ontnomen geweest is, en had eene gezegende uitwerking, zijne woorden hadden zulk eenen kragtigen invloed op der plunderaars gemoederen, dat zij op deze gezegdens hunnen moedwil staakten, en hem naar het Stadhuis volgden, van waar het Oranje vaandel naar den Abdijtoren, onder geleide van eenige Regenten met den evengemelden Mercurius gevolgd, door eene menigte Muiters gebragt [35v] en boven uit de kroon deszelven gestoken wierd, alles gepaard gaande met een gejuich dat de lucht van een vreeselijk geruisch vervulde.

Na deze verrigting ging er eene bezending van zes Predikanten, onder een talrijk gevolg naar het Stadhuis, alwaar door Do Boitet aan het volk eene aanspraak gedaan wierd, behelzende eene vermaning dat zij zich voortaan als stille burgers zouden gedragen, aangezien H Ed Achtbare zich nu geheel voor Zijne Hoogheid hadden verklaard, zij hun zin verkregen hadden, door het opsteken van Oranje Vaandels op de Stadhuis en Abdijtorens, deze aanspraak geschiedde op de puije van den Stadhuize. Vervolgens ging deze bezending van Predikanten verzeld van omtrent twaalf Regeringsleden en een groot gevolg van moedwilligers met een Oranje Vaandel vooruit, door de voornaamste straten dezer Stad. Waarschijnlijk om den vrede nog nader bekend te maken en hun genoegen over denzelven te betoonen. [36] Sommigen schertsten daarmede, anderen spraken er loftuitingen over uit, alles naar mate de gevoelens der lieden waren.

Behalve de opgenoemde ongelukkige personen, die geplunderd zijn, is er een rijk aantal, bij welke de verregaandste baldadigheden gepleegd zijn, en die de woede gestild of afkoop door geld, wijn &a hebben gedaan.

Hiermede nam de moedwil, die gedurenden den tijd van ruim 3 dagen, bijzonderlijk van vrijdag den 29 Junij des avonds tot Maandag den 2 Julij des morgens, zoo vreeselijk geheerscht had, een einde, en het van woede bruischende volk kwam tot bedaren.

Ziedaar een tafereel van de gruwelijkste ongeregeldheden en moordtoneelen, in dezen Stad vertoond, die om hunne hagchelijkheid steeds onwischbaar zullen blijven uit het geheugen van elk mensch, die hiervan getuige en niet gevoelloos is voor liefde omtrent zijn naaste, zulke die de aanvoerders en volbrengers van dit ontzachlijk schouwspel geweest zijn, hebben gewis alvorens [36v] menschelijkheid met wortel en tak moeten uitroeijen en Gods heilige wet op ’t schandelijkst overtreden, eer zij hiertoe konden geraken, doch alles laten wij ter verantwoording over aan dezulken en allen die daaraan iets toegebragt hebben; ongetwijfeld zal Gods grimmend wraakzwaard deze euveldaders in der tijd of in de onsterfelijkheid zoo treffen, dat zij van grievend na berouw zullen knarstanden.

Thans de geheele verwoesting zooveel mogelijk is geschetst, zullen wij hierop een omstandig verhaal laten volgen van al de merkwaardigheden, die na dien tijd tot het in eed nemen der Schutters zijn voorgevallen, beginnende met het in hechtenis nemen van de meid van meergenoemden Doctor L. van Steveninck, die tot het laatste oogenblik mede in huis geweest is, te gelijk met hem gevlugt en bij hare ouders of familie gehuisvest was, zulks geschiedde den 3 Julij 1787 om van dezelve te ontdekken op welk [37] eene wijze haar Heer het ontkomen was, hoedanig hij te werk had gegaan om zich te verweren, wie hem tot een hulp verstrekt had en wat dies meer is, het scheen dat deze meid niet te wel aan de verbeelding van Hun Ed Achtb. heeft voldaan, wijl daar nooit iets van uitgelekt, en zij omtrent drie weken daarna vrijgelaten en naar Dordrecht vertrokken is.

Op dienzelfden tijd wierd mede in hechtenis gezet Isaac Bastiaanse, wiens goederen alle vernield waren, en die verdacht wierd als bode van de Schutters gediend te hebben, om, zoo men waande, de geheime onderhandelingen met andere genootschappen en Schutterijen voort te zetten, deze man gansch onschuldig verhoord wordende, kon niets anders belijden, dan dat hem deze aangewreven blaam onbekend was, ’t geen weinig aan de verwachting voldoende, (wijl zij van hem zaken dachten te ontwinden, die nimmer in het hart van eenigen Schutter hadden gehuisvest) lieten hem twee dagen daarna [37v] los, zeggende dat hij nu weder aan het werk konde gaan.

Deze ongelukkige man beleed met tranen in de oogen, dat hij van alles ontroofd zijnde, niets had om zijn ligchaams levensonderhoud te verschaffen, veel minder in staat was om zijne vrouw en kinderen van het noodige te voorzien, ’t welk in hun zulk een medelijden verwekte, dat hem van al de Regeringsleden eene handgift wierd uitgereikt.

Het gemeen, nog dronken van den drank die zij in ’t plunderen overal afgevorderd hadden, doorkruisten de Stad om hun verrigt werk op te nemen, terwijl zij van huis tot huis rondgingen, om de luiden op eigen gezag aan te zeggen, dat de knoppen der deuren en schellen met oranjelint moesten versierd worden, ’t geen een ieder met den meeste vlijt ten uitvoer bragt, wijl men voor deze snoodaards nog beefde.

Korts daaraan bevalen zij dat in elk huis eene Oranjevlag moest uitgestoken worden. Er was geen voorraad van oranjepapier ge [38] noeg in de Stad om alom vlaggetjes daarvan uit te steken, dus gebruikten sommige Oranje zakdoeken en andere gele vriessche kinderlappen &a, dit maakte zoo eene zonderlinge vertooning, dat een vreemdeling die nooit zulke omstandigheden bijgewoond had, de Inwoners dezer Stad met reden moest bespotten. Omtrent dezen tijd wierden de Circulaire missives aan alle de Geregten van Vlaanderen en Braband en ook sommige van deze Provincie Zeeland met de portretten van vorengenoemde Doctor Lucas van Steveninck Az. uitgegeven en verzonden, waarnevens gevoegd was eene advertentie inhoudende: dat dezelve medegewerkt hebbende tot de bewegingen alhier voorgevallen eene premie van f 1000,- beloofd werd aan dengenen die hem levendig in handen der Justitie zoude overleveren.

In den namiddag wierd een gerucht verspreid dat Steveninck in zijn huis ontdekt was, alle de straten en toegangen wierden onmiddellijk bezet om daardoor hem de [38v] vlugt te beletten, ’t geen een vruchteloos werk was, aangezien hij reeds lang tevoren het ontkomen was. Ondertusschen genaakte de avond, op welken het gemeen wederom gebood om algemeen te illumineeren en de lintjes aan deur en schelknoppen weder op te steken, met tegenzin voldeed de afgesloofde Burgerij, die in al die omstandigheden geen oogenblik rust gehad had, aan deze gewelddadige eischen, terwijl niemand zich daartegen durfde verzetten, of stelde zich bloot aan de verregaandste baldadigheden.

Hun Ed Achtb begrijpende dat dit tot een ondragelijke last en onrust voor hunne Ingezetenen was niet alleenig, naar eene algemeene verarming daarop moest volgen, vonden goed eene publicatie openbaar te maken, waarbij zij ordonneerde de vlaggen en lintjes in te trekken, en het illumineren (op order van ’t gemeen) verboden.

De liefelijke rust, zoo verkwikkelijk voor de bezitters, begon zich van trap tot trap wat te herstellen, maar op het geritsel [39] van een blad, werd zij wederom gedurig ontrust. Het dragen van Oranjelint was algemeen en zonder zich in het grootste gevaar te begeven, kon dit niet afgelaten worden.

Den volgenden Zondag, zijnde den 8 Julij 1787, wierd er des morgens door al de Predikanten in al de kerken, op aanzoek der Regering eene dankzegging gedaan over de herstelling der rust en oude Constitutie, die zoo zij voorgaven aan het waggelen was en haast den doodsnik zoude gegeven hebben, als mede eene dankbetuiging aan de Regering, voor die trouwe waakzaamheid en ongemeene vlijt in het herstellen der rust, ten welken einde zij toepasselijke texten uitkozen, om dit des te meer kracht bij te zetten, mitsgaders eene vermaning aan allen, dat ieder zich nu voor het vervolg zoude stil houden, naar mate de gevoelens der Predikanten waren, was deze dankbetuiging en vermaning in meerden of minderen graad uitgebreid.

De gemoederen wat tot bedaren gekomen [39v] zijnde ontstond er den 11 Julij 1787 wederom een gerucht, dat alles gaande maakte, namelijk dat de beruchte Steveninck des namiddags 3 uren, door zijn tuinier in zijn tuin buiten de Seispoort was gezien, ’t geen uit haat of geldzucht ter kennisse van de Justitie werd gebragt, die des avonds circa 11 uren, en dus geen korten tijd daarna, een commando Soldaten afvaardigde, om hem te grijpen, of zoo hij in dien tijd zich weggemaakt had, daar post te vatten, bij dit onderzoek waren gecommitteerden uit H Ed Achtb. tegenwoordig, zij doorzochten het geheele Hof tot in de kleinste hoeken, maar bespeurden hem niet.

Het kwaad vermoeden omtrent de Schutters bleef aanhoudend heerschen, en had ten gevolge, dat de meest verdachte van dezelve eene afzending van den Regerende Burgemeester met twee Officieren uit de Burgerwachten aan huis kregen, welke uit naam en op order van den Magistraat [40] derzelver huizen doorzochten, ten einde te onderzoeken, of dezelve met meerdere als gewone wapenrustingen voorzien waren, het eenige dat buit gemaakt werd was het Notulboek en eene kist met papieren, tot dezelve Schutterij behoorende, welke onder den Secretaris Pieter de Maret berustten, en naar het Stadhuis overgebragt wierden; gelijk zij de vaandels der Schutterij mede meenden te krijgen, maar bevonden dat zij zich in dit stuk merkelijk hadden vergist.

De kleermaker Watervliet, wonende naast den Heer Oud Burgemeester mr. Johan David Ghijselin le Sage in den langendelft, mede verdacht zijnde dat hij soms tot verwering van zich zelven of van den gemelden Heer Burgemeester, voorzien was van ongewone krijgsbehoeften, wierd mede zijn huis doorzocht, gelijk met hem nog verscheiden personen, die onder het oordeel lagen, doch bij geen van allen wierd iets gevonden, waar op eenige berisping konde vallen.

Na dien tijd scheen de moedwil van het [40v] gemeen een einde te nemen, men vleide zich dat de rust weder zou herleven, dan onverwachts ontwaarde men, dat de rol nog niet volspeeld was. De gewezen Commandant van het vernietigde Excercitie genootschap, meermalen genoemde Doctor van der Kemp, had sedert dien tijd de vaandels deszelven genootschaps onder zijne bewaring gehad, bij herhaling verzocht aan Hun Ed Achtb. daarvan ontdaan te worden, ’t geen (onopgerold) geschiedde op den middag van den 26 Julij 1787, door den meergemelden Vliegenden Mercurius en een Stadswerker, die tevoren mede een van de muitelingen geweest was, bij gelegenheid van den marktdag, en dus de Stad vervuld van buitenlieden, was de toevloed van menschen ongemeen, die onder het aanheffen van Hoezee ! dit gevolg bijbleven tot aan het Stadhuis, alwaar hetzelve overgebragt werd.

Deze verrigting verwekte eene dusdanige beweging in de Stad, en onder het woeste volk, dat de vleijende hoop tot de vorige [41] rust in damp verdwijnende, vervangen wierd door billijke angsten. Het volk maakte zamenrottingen, die des avonds om 7 uren de grenspalen der betamelijke burgerpligten verre te buiten gingen. Zij vielen aan op het huis van genoemden Van der Kemp, met eene ijsselijke woede onder het inslaan der glazen. Hij dit bemerkende, ontvlugtte hunne verdervende handen, waarop zij in het huis dringende, alles tot de kleinste hoeken doorsnuffelden en nog eenige meubelen beschadigden. Ondertusschen had een Commando Militairen order bekomen, om dit huis te bezetten en het gespuis te verdrijven, welke ook op derzelver komst alle vijandelijkheden deed staken. De tusschenkomst van twee Heeren, die in alle deze omstandigheden steeds hunne pogingen tot bevrediging hadden schijnen te willen toonen, nevens de treffende aanspraak van zekeren Professor aan het volk, bragten hieraan veel toe, evenwel vonden zij zich genoodzaakt het huis te ruimen, om van onheilen bevrijd [41v] te blijven, het had echter zoodanigen invloed op het gemoed van sommigen, dat zij beraadslaagden, den redenaar naar huis te brengen, hetwelk onder een geroep van Hoezee ! met allen ijver volbragt wierd. Een plunderaar, zich hieronder bevindende, trachtte mede den opstand te stillen, maar in verdenking gerakende dat hij met de Patriotten zamenheulde, wierd door de kwaadwilligen vervolgd, om welke te ontkomen hij op het Stadhuis vlugtte, alwaar hij verhoord wordende, zich op deszelfs eerlijkheid in den sterksten graad beroemde, hij verbleef daar weinige dagen en nachten, en werd na betaling van zijne verzuimde daggelden, in stilte afgelaten.

Dit alles intusschen zulk eene gisting onder de gemoederen van het woelzieke gemeen gemaakt hebbende, en hunnen euvelmoed, roof en plunderzucht hiermede nog niet geboet zijnde, ijlden zij naar den voornoemden kleermaker Watervliet, onder de gewelddadigste bedreigingen dat [42] zijn huis een prooi hunner wrevelmoed worden zou, zoo hij hun met geen wijn beschonk, zelfs de kleine straatjongens, die hun steunsel vonden in het zaamgerotte volk.

Op dezelfde wijze behandelden zij den schilder Esting in de brakstraat, alwaar het bij geen drinken blijvende, de glazen ingeworpen wierden, onder voorwendsel dat hij de vaandels van het Excercitiegenootschap geschilderd had, doch wierden daarna door een der evengenoemde Heeren afgeweerd. Vervolgens begaf zich het woelend volk naar den koopman in Snuif A.A. Hicken in den langendelft, daar zij almede onder het insmijten van weinige glazen, de afschuwelijkste baldadigheden pleegden. Hun Ed Achtb, vreezende dat deze bewegingen wederom op de verwoesting van vele hunner Inwoners toelagen, verzorgden de Militairen een genoegzaam getal Scherpe patroonen, teffens bevelen gevende om het geweld krachtdadig te keeren, hetgeen zulk [42v] een schrik in de muitelingen bragt, dat de moedwil ras een einde nam, onderwijl wierd het huis van gemelden Hicken met militairen verschanst, terwijl er terzelver tijd twee burger Compagnien in de wapens kwamen.

Middelerwijl begaf zich een troep naar het Huis van evengenoemden Van der Kemp, alwaar de eerste rol in het dreigend plunderen wierd gespeeld door een persoon, genaamd Nicolaas Baase, die om zijne baldadigheden waardig is vereeuwigd te worden in de gedenkboeken van Nederland, deze wierd door den Stads Onderschout gevat, met oogmerk om hem naar ’s Gravensteen te brengen, dan werd daarin belet door den meergenoemden Vliegenden Mercurius, die voorschreven Schout met zijn gevangenen in den langendelft kwam tegemoet loopen, en voorgaf, dat dezelve op order van H Ed Achtb. moest worden gebragt op den Stadhuize, deze Schout de orders door vrees nakomende, bragt [43] zijn gevangene, onder gevolg van een zaam gevloeid muitziek gemeen, Stadhuiswaarts, alwaar dezelve dadelijk door zeker Heer Regent wierd ontvangen in de Schepenskamer en daarna door dien Heer als een eerlijk burger van het Stadhuis geleid.

In plaats dat dit woelachtig volk nu naar huis zoude gaan, verzamelden zij zich in grooten getale op de groote markt, waar zij onder malkanderen steeds mompelden, maar zich buitendien stil hielden. De meergemelde Heeren traden toe en vraagden het volk af wat hun begeeren was en waarom zij zoo onrustig waren? waarop geantwoord wierd, dat zij in navolging van Veere, een eed van getrouwheid van al de Schutters afvorderden. Deze Heeren beloofden hun hierop plegtig, dat zij hunne verlangens als de stemme de volks (schoon zij die niet hadden noch verdienen) zouden voordragen in Wet en raad, niet twijfelende of dit verzoek zou wel gebillijkt worden, dit aldus vervol [43v] gens des anderendaags den 27 Julij 1787 geschied zijnde, wierd er des morgens circa 11 uren eene publicatie afgekondigd waarbij present waren de beide Heeren destijds regerende Burgemeesteren, geadsisteerd met den Heer Pensionaris Mr Jacob Hendrik Schorer, die dezelve uit zijne aanteekening dede, inhoudende dat de Schutters den eed van getrouwheid zoude moeten afleggen. Waarop men door eene gansche menigte, die hun voor het Stadhuis bevonden, luidkeels geroepen werd Hoezee! Oranje boven! - kon vervolgens de Regering goedvinden om de meeste der Leden van de Schutterij des namiddags tegen 4 uren gezamenlijk op te roepen, en hun een zekeren eed hierna woordelijk volgende voor te dragen.

Dit een werk zijnde dat met zeer veel plegtigheid moest verzeld gaan, en tevens onder het uitvoeren van hetzelve voor de woede van het muitziek volk behoorende bevrijd te blijven, kregen acht burger [44] Compagnien last, om tegen 3 uren van dien namiddag gewapend voor het Stadhuis te verschijnen, zoo spoedig als onverwacht kwam dit de meesten voor, want bij het roeren der trom tot het oproepen der burgers was elk verschrikt, onwetend welk eene uitwerking dit moest hebben. Ter bestemder plaats gekomen zijnde, bleven zij tot nader order staan. De Majoor van de Burgerwachten schikte dezelve tot het formeren van een kring voor de pui van het Stadhuis, en weerde het volk, dat zich binnen dien kring bevond, die niet dan na veel tegensprekens daartoe besloten; achter de Burgemeesteren stonden rondsom drie gelederen Soldaten, waarvan het achterste gelid verkeerd front maakte, om daardoor het gemeen van achteren te beletten, dat zij niet verder kwamen.

De gedagvaarde Schutters begaven zich ondertusschen naar het Stadhuis en wierden aldaar een vertrek aangewezen om tot alles gereed zou zijn, te verblijven, in [44v] dien tusschentijd was de toevloed van menschen tot een ontelbaar getal vergroot, de daken der huizen zelfs waren bezet met aanschouwers. De verschenen Schutters wierden op het Stadhuis voor Twee Heeren Commissarissen uit de wet, benevens een der Heeren Secretarissen gebragt, alwaar de laatstgenoemde aan hun eene aanspraak deed hierop uitkomende: “Dat zij bij het grootste deel der Burgers in zware verdenking lagen, en dat daardoor de gerezene partijschappen tot die uiterstens geklommen ware, dat een gedeelte van hun het slachtoffer van de woede des volks waren geworden, waarop Hun Ed Achtb. na rijp overleg hadden goedgevonden hun op te roepen en voor te slaan, of zij bereid waren openlijk voor het Stadhuis een eed van getrouwheid te doen, ten einde een ieder van hunne welmeenendheid zoude overtuigd worden.”

Welke eed hun als dan door den Heer Secretaris wierd voorgelezen, waarop [45] hunne antwoorden aldus luidden: “Zij bereidvaardig dezen eed wilden doen, maar dat de hoon hun hierdoor aangedaan zwaar genoeg was voor de grootste schelmen, verzochten daarvan overreed of vrij gesproken te worden.” Waarop de Secretaris hun diende: “Dat het alleenig gedaan wierd om het gemeen te stillen, en zij niet twijfelden of zou eene gezegende uitwerking hebben, maar niets ten hunnen laste wisten in te brengen.” Dit alles gaf zooveel genoegen, dat zij zich getroosten in hunne verdrukkingen en zeiden “dat, zoo men dacht hierdoor de onderlinge rust en eensgezindheid zoude hersteld worden, zij dan volvaardig dit zouden doen.” Gedurende dien tijd was er steeds gewerkt om het volk uit den binnenkring te houden, welke kring omtrent 5 a 6 roeden in ’t vierkant besloeg. De 24 Burgerkapiteinen waren mede gedagvaard ten Stadhuize, waaronder twee gevonden wierden die medeleden der Schutterij waren geweest. [45v] De plegtigheid nam zijn aanvang met gemelde Burgerkapiteinen, die den binnenkring bezetten met opgestoken blanke degens. De twee genoemde kapiteinen moesten op bevel van den Majoor der burgerwachten hunne degens en echarpen afleggen en zich bij hunne mede Schutters voegen. Voorders kwamen van het Stadhuis vooraf de vier Stadskamerboden, die gevolgd wierden van de twee Heeren Regerende Burgemeesteren en een der Heeren Secretarissen, welke onder het presenteren van het geweer en het roeren der trommels de linkerzijde van het Stadhuis afgingen en hun in gemelden kring plaatsten, daarop volgden de Schutters, ten getale van omtrent 90 personen, gaande ter regter zijde van het Stadhuis af, en vervoegden hun mede in denzelven kring, die allen onder bespotting verguizing en versmading van het Canaille den volgenden eed, door den Heer Secretaris onder de open lucht even als misdadigers, op welke [46] zij ieder afzonderlijk (in tegenwoordigheid van de geheele Magistraat, die tot het aanschouwen van deze plegtigheid de boven vensters op roode kussens het Stadhuis uitlagen) in handen der Heeren Regerende Burgemeesteren met opgestoken vingeren Godes allerheiligsten naam moesten aanroepen:

“Ik belove en zwere ’s Lands aloude Constitutie en de regten van den Prins Erfstadhouder , zoo als de Regering dezer Stad deswegens bij Publicatie van den 2den dezer maand haar gevoelen heeft geopenbaard, ten allen tijde te zullen handhaven, zonder mij ooit of immer te bemoeijen of in te laten in gesprekken, bijeenkomsten, ongewone wapenoefeningen of andere daden, die in de bedoeling of in de gevolgen tot eenige verandering van deze denkenswijze zouden kunnen strekken en mij voorts als een stil, vreedzaam en mijne overheid in de uitvoering van derzelver bevelen en ordonnantien gehoor [46v] zamen Burger en Inwoner te zullen gedragen.

Zoo waarlijk moest mij God Almagtig helpen.”

De vervloekingen en verwenschingen waren allergruwelijkst, men vond er zelfs niet weinig onder de Burgerwachten, die daar in voorgingen.

Na deze verrigting wierd er eene Publicatie gedaan, inhoudende dat de verdachte personen de getrouwheid aan de Stad, Stadhouderlijke en Stadsregering en de oude Constitutie plegtig hadden bezworen, en een ieder zich als nu zou gelieven stil te houden, op ’t welk een driewerf Hoezee ! volgde, waarin zij werden voorgegaan door diegene, welke dezelve publicatie had voorgelezen, de roede van Justitie (die aldaar tot verzwaring van hunnen hoon, reeds bij hunne afkomst van het Stadhuis gestaan had) wierd als naar gewoonte opgeheven. Vervolgens keerden zij wederom naar het Stadhuis om zoo lang aldaar nog te ver [47] toeven, tot dat het meeste volk geweken was, gedurende welken tijd de Burgerwachten op hunne posten nog bleven staan.

Elk onpartijdig mensch, beschouwende deze daden met eene billijke verontwaardiging, en geen wonder, terwijl dezelve het spoor der Regterlijke gebruiken zeer verre te buiten gingen, temeer wijl er bovendien nog onder dezelve Schutters waren gevonden, die op het doen der publicatie van 24 februarij tevoren de Schutterij verlaten hebbende, in de bescherming van Hun Ed Achtb. daarbij genomen zijn. Behalven de grievendste versmading moesten sommigen in het afkomen van het Stadhuis nog de zwaarste brutaliteiten ondergaan, om namelijk tot huis vervolgd, aangestooten vervloekt en bespot te worden. Het volk verminderde zoo allengs, en met het naderen van den avond was de Stad weder in stilte. Zonder grond vleide men zich met de herstelling der vorige rust, wijl een der belhamels door zeker Regent ge [47v] vraagd zijnde of hunne begeerten nu hun doel bereikt hadden, daarop ten antwoord gaf, dat het restant der Schutters mede den zelven eed moesten doen, alvorens zij gerust zouden zijn. Ingevolge de beloften kon dezen eisch niet verwezen worden, dus wierd er eene publicatie gedaan, waarbij alle degene die door hunne afwezigheid buiten Staat geweest waren zulks te doen, gedagvaard wierden tegen den 8 augustus 1787, om des voormiddags tegen 11 ure ten Stadhuize te verschijnen.

Intusschen viel de tijd in, dat de Regering naar gewoonte moest veranderd worden, en werd ten dien einde Wet en Raad belegd, in welke hooggaande geschillen rezen, men was het niet eens, omdat de gevoelens van sommige Regenten zoo zeer verschillend waren van de meerderheid, en de twee aan te komen Burgemeesters juist de gevoelens der minderheid omhelsden, waarom dezelve geraden wierden, na bevorens het gevaar [48] waarin zij zich als dan zouden stellen, te hebben getracht voor te lichten, om van het Burgemeesterschap voor ditmaal af te zien.

Zij weigerden zulks uit overreding, dat zij onschuldig dus versmaad en gewantrouwd wierden, dan na langen aandrang en voor uitzigten, dat de gevolgen allergevaarlijkst zouden zijn, bedankte de eerstgemelde voor deze eere ambten, onder eene betuiging dat hij een vrij geweten behield van altoos het welzijn der Burgerij te hebben behartigd, en dit hem steeds tot een heilzaam ver genoegen zoude strekken. De laatstgenoemde, die mede een gerust gemoed omdroeg, bedankte alleenlijk voor het Burgemeesterschap, om daardoor alle moeijelijkheden te ontwijken. Terzelver tijd verzocht en verkreeg zonder tegenzeggen de Pensionaris Ermerins al mede deszelfs ontslag, doende bij die gelegenheid eene allervoortreffelijkste aanspraak, en is eenigen tijd nadien met der woon naar de Stad Tholen vertrokken. Hieruit vloeide van zelve voort [48v] dat er nu naar welgevallen over de benoeming van de Burgemeesters en de vervulling van openstaande plaatsen kon beschikt worden. Zij maakten eene nominatie, zonden die aan zijne Hoogheid, welke er zeer spoedig uit dat dubbeltal twee verkoos.

Ondertusschen naderde de tijd, op welke Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw de Princesse van Oranje Jaarwisselde, waarnaar velen, bijzonder het gemeen lang hadden gereikhalsd, ten einde hunne vreugde nog eens uiterlijk te kunnen vertoonen. Het vermaken van den Magistraat, dat zoo naar wensch uitgevallen was, kon mede op dien dag gevierd worden en dit maakte zamen bij die woelachtigen eene opeenstapeling van onuitsprekelijke blijdschap. Die heugelijke dag, welke nog nimmer gevierd was, viel in op den 7 Augustus 1787, den 4 tevoren was er tot een rigtsnoer voor de burgerij eene publicatie gedaan, hoofzakelijk van dezen inhoud: “dat Hun Ed Achtbare vernomen hadden, dat er van [49] tijd tot tijd verscheidene toebereidselen gemaakt waren, om de verjaring van voornoemde Koninklijke Hoogheid met vreugde te vieren, hadden goedgevonden de Burgerij vrijheid te geven tot het aansteken van illuminatien, zoo veel of weinig als elk zou verkiezen, zonder dat iemand die zulks in een minder dan gewonen graad deed, daarover kwalijk mogt bejegend worden, met uitdrukkelijk verbod, om geenerhande vuurwerken af te steken, nog eenige vlaggen uit te hangen, op de boete van f. 100.-, als mede geen drank of geld van iemand af te vorderen.”

Van des morgens vroeg waren aan de gemeenste hoeken der Stad de huizen al gevlagd, ’t geen met den voormiddag tot in de voornaamste straten doorbrak, en door het gemeen onder bedreiging bevolen wierd. De Vliegende Mercurius, die in deze beroerende omstandigheden zooveel als bijgevoegde Bailluw geweest was, ging aan alle plaatsen rond om dit te beletten, wijl het aanliep tegen de oogmerken [49v] van Hun Ed Achtb. en de gedane publicatien. Het gezag en de invloed die hij weleer op dit volk gehad had, scheen destijds geweken te zijn, wijl zij zich verstoutten, niettegenstaande dezes bedienaars der Justitie hem tot hulp verstrekten, om hem de zwaarste bedreigingen tegemoet te voeren. Een der belhamels was vrijpostig genoeg om naar den Regerenden Burgemeester te gaan en te zeggen, dat dit niet moest tegengegaan worden, dat hij op eigen gezag hierin zou voortgaan.

De Magistraat, hoezeer dit ook tegen hunne oogmerken inliep, waren naar hun begrip genoodzaakt dit na te volgen, wilden zij de woede van het volk niet geheel ontvonken, dus wierden er alom door de gansche Stad vlaggen uitgestoken, die tot de illuminatien aangestoken wierden, bleven hangen, des avonds om 9 uren stak men de lichten aan, en in een korten tijd was de geheele Stad geillumineerd, de meeste betoonden deze vreugdebedrijven door het verlichten hunner huizen met kaarsen, andere met sassinetten, en sommige die [50] dan wilden uitmunten, hadden de voorgevels met lampions bezet, waaronder er geweest zijn tot een 700 tal toe. Er was een ongemeene Stilstand in de Stad, vele menschen wandelden rond om dit met de uiterste verwondering te beschouwen, doch er wierden geene baldadigheden, noch zelfs geene luidruchtigheden van zingen als anderzints aangerigt, dit duurde tot in den morgen van den 8 Aug 1787, de dag wanneer het overige deel Schutters den eed moesten afleggen, ten welken einde al wederom acht andere Burger Compagnieën order kregen, om tegen 9 uren gewapend voor het Stadhuis tekomen, waarbij zich als te voren de militairen voegden om den buitenkring te formeren, en voorders wierden de schikkingen op dezelfde wijze gemaakt als bevorens, de toevloed van menschen was ontelbaar, aangezien de aankondiging bij publicatie wel 14 dagen tevoren geschied was.

Het getal der Schutters bestond uit 14 personen, zoo die uit de Stad waren geweest [50v] als de vorige reis waren vergeten te dagvaarden, welke even als de andere, na voor Heeren Commissarissen uit het midden van HE Achtb. verschenen te zijn, openlijk op de markt voor het Stadhuis ten aanschouwen van vele Burgers en Vreemden, die door nieuwsgierigheid waren aangedreven, zulks tekomen zien, denzelfden eed bekrachtigden, het gespuis dat zich almede daaronder bevond, wierd van de gelegenheid verstoken, om dezelve Schutters als de vorige alle versmading aan te doen, aangezien zij op het Stadhuis een vertrek inruimden, aldaar het middagmaal hielden, en zoolang vertoefden, tot dat het gemeen van voor het Stadhuis geweken was. Van achteren aan het Stadhuis bleef er nog eene bezetting, maar die wierden allerschoonst verschalkt, wijl gemelde Schutters, toen hun kans veil hebbende, vóór af van het gemelde Stadhuis ongestoord naar huis gingen.

Hiermede ons plan bereikt hebbende, laten wij het gordijn vallen, en sluiten [51] dit Schouwtooneel, dat eene verzameling is van beroering, verwarring en overheersching, waarvoor ieder mensch, die de belangens van ons dierbaar vaderland, het minst ter harte neemt, een afgrijzen moet hebben.

 

                            Einde

 

[51v]

Aan de Praesident en Leden van het Uitvoerend Departement

 

Medeburgers!

Ingevolge den last op ons gestrekt bij resolutie van de vertegenwoordigers des volks van Zeeland den 23 Mey laatstleden, hebben de eer bij dezen in tezenden de lijst der Begunstigers, Bewerkers, Aanvoerders en active Deelnemers der plunderingen en geweldenarijen, van de jaren 1786, 1787 en 1788.

Hopende thans aan demeening en verwachting der volksvertegenwoordigers te hebben voldaan.

Blijven wij met toewensching van Heil en aanbod van Eerbied

Get. J.J. Corbelijn

Get. J.P. Croes

Commissarissen hiertoe benoemd

Uit derzelver naam

(get.) Kakenberg
 Amanuensis

Middelburg den 18 Juni 1797
Het derde Jaar der Bataafsche Vrijheid

[Hierna volgen deze naamlijsten fol. 52 t/m 71]

 

Transcriptie J. de la Hayze

Gerelateerd

Bijbel

G2416

Chassinet

ZI-Aanwinsten 378

Portret Lucas van Steveninck

ZI-IV-0852

Beschieting huis Leeuwenburg

ZI-III-0265

Plundering huis Leeuwenburg

ZI-III-0266

Huis Leeuwenburg na de plundering

ZI-III-0267

Plunderingen Middelburg 1787

Hs 4368

Achterhuis Jacobus Romaal

ZI-III-1108

Plundering schuttershof Middelburg 1787

ZI-III-0272

Gerelateerd

Johannes de Fremery

ZI-IV-0384

Gerelateerde dossiers

Journaal van mijn reis door Vrankrijk

Een reisje door Duitsland in 1862

Bericht uit het leger van Napoleon (1)

Bericht uit het leger van Napoleon (2)

Herinnering aan Mr. S. de Wind

Napoleon in Middelburg en Domburg in mei 1810

Wat vermag een vrouw

Beterschap

In dienst van de Garde Impériale

Een reisje naar Axel

Proeven met stinkhout

Brief uit Parijs

Reisje over de Surinamerivier in 1816

Londen in 1790/1791

Semen sabadillies

Vier Romeinse oudheden

Kort Verhaal van een geweldig oproer voorgevallen binnen Middelburg in Zeeland van Vrijdag 29 junij

Journaal, gehouden op eene reis van Rotterdam naar Batavia en terug, met het Fregatschip Soerabaya,

Advies betreffende overspel van een predikant rond 1755

Dagboek Maria Johanna Schorer-van de Putte

Strafexpeditie naar de westkust van Guinea 1869

Twee zeldzame voorwerpen

Inzet van Europeanen als arbeiders in Suriname

De invasie van het Mogolse rijk in 1738

Verslag van beschietingen bij Aardenburg van 1 mei 1794 tot 13 januari 1795

Verzuchting van een afgewezen kandidaat

IJsvermaak in Kortgene

Castra Herculis of Witlam?

Zwerftochten langs de Westerschelde