Dossier: Zwerftochten langs de Westerschelde

Bovenaan: Een vollediger afschrift van dit stuk door den schrijver voor de pers bestemd wordt in de Verzameling der MSS des Gen. bewaard 1867

Zwerftogtje

De uitgebreide polderwerken die aan het oosteinde der Provincie Zeeland worden ondernomen, tot het afdammen der Oosterschelde, en de voorvallen die daarbij schijnen plaats te hebben, leveren stof tot menigerlei gesprek. Vele dier gesprekken dragen niet zelden meer het kenmerk van de zucht, dan wel van de geschiktheid der Beoordeelaars, daartoe. Somtijds hoord men bovendien nog de vreemdsoortigste zaken daaraan bij halen en op ééne lijn plaatsen. Van dien aart was er een dat mij aanleiding tot dit schrijven gaf, en daarmede de grond tot de geheel overige Zwerftogt.      

Het indertijd geopperde, en wel doordagte plan, van den kundigen Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat dezer Provincie, de Heer A. Caland, wegens het bouwen van een Fort in de mond der Westerschelde, hoorde ik, driest genoeg, als een herschenschim beschouwen, even onnoodig als onuitvoerbaar.

Wat het onnoodige betreft, van het zoo veel doenelijk versterken van de Mond der Westerschelde, voor de Veiligheid niet alleen van de daaraan grenzende landen, maar ook van het overige Europa, hiervan schijnt het Engelsche dagblad de Times, anders te oordeelen, welks redekaveling daaromtrent in No 123 der Middelburgsche Courant van 1852 is overgenomen. - Het onuitvoerbare mag alleen beoordeeld worden naar de gronden die het boek daarzelve voor aan de hand geeft, maar geensins naar het Bijbels-leenspreukige, dat men geen huis op een zandgrond moet bouwen; even weinig als aan het [2] argument, dat de onderzeesche gronden dagelijks veranderen, en de zandplaten aan gedurige verplaatsing onderhevig zijn; dit laatste meen ik, door eenige toelichting, te moeten bestrijden.

Het spreekt van zelf dat hier geen sprake kan zijn van alle, en overal gelegene zandplaten, maar alleen van de Plaat bekend onder de naam van de Elboog, gelegen ten westen van Vlissingen, op de hoogte van het fort de Nolle, in eene strekking van het zuiden naar het westen, langst de Kust; want het is alleen daarop dat de Heer Caland, zijn ontwerp gevormd heeft.

Wat het boek zelve aan de hand geeft, wegens den ouderdom en de duurzaamheid der plaat, kan ik zoo juist niet meer zeggen, wijl ik tot mijn spijt, geen exemplaar in eigendom bezit, en hetzelve alleen bij het in het licht verschijnen in 1836 of 37, met opmerkzaamheid heb gelezen; maar op mijn geheugen af, meen ik dat de Schrijver zich alleen beroept op vroegere Paskaarten; doch ik denk hooger te kunnen opklimmen, en meen, ook in het belang der oude Aardrijkskunde van Zeeland, dit te mogen doen.

Volgens van Mieris, Charterboek 3e deel pag 557, gaf Hertog Albert van Beijeren, als Graaf van Zeeland, den 5e April 1390, een onbedijkt Schorre, bij de Stad Vlissingen gelegen, aan Claes Koc, met de volgende Giftbrief:
“Aelbrecht, enz. doen cont allen, dat om trouwen dienst, die Claes Koc ons gedaan heeft, en nog doen sal, hem ende sine nacomelinghen ghegheven hebben, ende gheven tot enen vrijen eijghen, een Scor, dat onbedijct is, legghende bezuden onser Stede van Vlissinghen, dat Claes Pentier voertijds ghedijct hadde, binnen deser [3] ghemerken, die haven van Vlissinghen leegt an die oeszide, die gherechte diepe tusschen ’t land van Vlaenderen ende Walcheren leghet aen die zuutzide, t land van Walcheren ende leecht aan die Westzide en aan die Noertzide, behoudelic onser stede van Vlissinghen haer handvesten ende recht, ende haer haven. In orconde desen brieve beseghelt met onsen seghele ghegheven in Middelburch, ’s dingsdaghes na Paesdach in ’t jaar ons Heren MCCC ende tnegentich”.

Wij zien uit de giftbrief: 1e dat de Schorre ten zuiden van Vlissinghen gelegen was, en dus noodwendig vooruit, het water in, want de beide kustoevers, regts en links van gezegde Stad, leggen Oost en West, en de grond van het Eiland, dat de Stad van achter bestrijkt, legt noordwaards van dezelve. – 2e Dat, hoewel de bedoelde grond bij Vlissingen was gelegen, dezelve toch niet onmiddelijk aan het Eiland vast was, want “het land van Walcheren laecht an die westzide ende aen die noertzide” (van de Schorre).

Verplaatsen wij ons eens voor een oogenblik in gedachte op de Elboog, dan heeft men voor zich uit, ten oosten Vlissingen, ten linker zijde of ten noorden het Eiland Walcheren doch daar deszelfs strand zich veel verder uitstrekt dan de Plaat waarop men zich bevind, en bovendien ter dier plaatse een flaauwe concave gedaante heeft waardoor hetzelve eenigsins een Baai vormd, zoo heeft men achter zich, of ten westen, mede nog een deel van datzelfde Walcheren. Aan de regter zijde of ten zuiden legt de “gherechte diepte” tusschen Vlaanderen en Walcheren. - Ik meen met deze uiteenzetting genoegzaam te hebben toegelicht dat de Schorre in [4] 1390 weggeschonken, en de Plaat de Elboog waarin de Heer Caland, de grondvesten van de door hem uitgedachte Fortificatie heeft willen leggen, een en dezelfde grond moet zijn; en dat een terrein dat 470 jaar, spijt ijsgang of de door stormen opgeruide baren, met zoo weinig verandering heeft stand gehouden, waarborg genoeg moest zijn voor Menschelijke berekening, om ten dien opzigte voor vitlust beveiligd te wezen.

En dat is nog niet de uiterste grens van tijd die wij kennen. Immers de grond aan Claes Koc, in 1390 door den Graaf geschonken, was “voertijds ghedijct geweest door Claes Pentier”. En gelukkig voor de geschiedenis, van Mieris heeft in dat zelfde deel pag 275, ons een ander document bewaard dat daarover veel licht bijzet, en den blik verder laat zien, het is van den 1e October 1372 dus 18 jaren ouder en van den volgenden inhoud.

“Aelbrecht, enz doen cond allen luden, dat wi ghegheven hebben, ende gheven met desen brieve Clais, onsen Pentier om menighen trouwen dienst, die hi ons ghedaen heeft, en doen sal, met Jan, Jacobs zoen vute Caetzate, wonachtich te Vlissinghen, een Vutdijc te dijken te corenlande, die gheleghen is bewesten haven tote Vlissinghen ter rechter helft met malcander, als hem die mate wisen sal, ende hem onsen Rentemeester van Zeelant beleet heeft ende soe wat zi daer binnen bediken zullen dat sal hoer wesen, ende dit zullen zi, ende haer nacomelinghen houden ten rechten leene, behoudelic ons, ende onsen nacomelinghen ambocht, ende tiende [5] van den lande vorscreven, ende zi zullen dat voorsz. lant vrijhouden zeven jaer lang van allen coste, diere up comen mach van Scote, heerevaerde, of anders van onsen weghen, na der tijd, dat het ghedijct zal worden. In oirconde enz. ghegheven in den Haghe, up sinten Bavendach anno MCCCLXXII.”

“Onderstondt: Dit voirsz. lant hout Clais Pentier alleen, en heeft het Jan voirsz of ghecost.”

Wij zien uit het voorafgaande, dat de reeds bij ons bekende Schorre van Claes Koc, dezelfde is met die hierin door den graaf werd geschonken aan “Claes onsen Pentier” (ik begrijp hierdoor onzen Valkenier of Jagermeester, afgeleid van pentiere, snippennet. Zie Landré Dictionnaire, maar het kan zijn dat ik het mis heb) en aan Jan, Jacobszoon, geboren van Cadzand, woonachtig te Vlissingen en misschien ook wel een van ’s Graven dienstbaren. Dat de gezegde Schorre in deze uitgifte genoemd wordt “een vuldijc te dijken Corenlande”, dat thans zou gezegd worden: een uiterwaard, een buitendijks gelegen stuk land, in staat om tot koren of bouwland te worden ingepolderd. Dat met deze uitdrukking het minder noodzakelijk wierd hetzelve te omschrijven als zuidwaarts van Vlissingen gelegen, daar noodwendig alle uiterwaarden op die hoogte, zuidwaarts van die Stad moesten leggen, wijl de stroom waarin zij zich bevonden, zelve die zuidelijke ligging had. Dat verder de meer bepaalde omschrijving: als gelegen bewesten de haven van Vlissingen, misschien daardoor noodzakelijk kon zijn geweest dat er meerdere ondiepten aan de andere zijde der Stad, de Stroom oostwaarts op, voor de Zuidwatering in de rigting van het tegenwoordig [6] Rammekens, in dezelfde omstandigheid verkeerde en al zoo tot voorkomen van onderlinge verwisseling. Lager zullen wij gelegenheid hebben aan te toonen dat dit werkelijk het geval was. Wijders, dat een van de twee begunstigden, al spoedig van zijn aandeel heeft afgezien en hetzelve aan Claes Pentier heeft overgedaan, die het verder voor eigen rekening heeft volbragt, doch welligt weder door een ongelukkige dijkbreuk zijn werk heeft zien vergaan, en niet bij magte is geweest het kwaad te kunnen herstellen of mogelijk zelfs in den ramp zijn dood heeft gevonden, waardoor dan de graaf later gelegenheid heeft gehad, daarvan eene nieuwe schenking of leen te maken.

Het laatste is geen te gewaagde stelling, als men bij F. Arends leze welke rampen de Vloed van 16 November 1377 heeft aangebragt [marge: F. Arends, Geschiedenis van de Kusten der Noordzee, 2e deel, bl: 64 en 3e deel bl: 45], toen Zeeland zoo zwaar wierd geteisterd, en in het naburig Staatsvlaanderen, Gaternisse, en andere, ten getal van 17 dorpen geheel te niete ginge; Schoondijke voor het meerendeel verwoest, Biervliet van de vaste wal gescheurd, den Dullaart of Braakman geschapen werd [marge: (a) Dresselhuis, Distrikt Sluis pag: 79] waardoor de zee gelegenheid kreeg tot aan het Sas van Gent door te vloeijen. Bij zooveel ramp kan ook het pas tot stand gekomen werk van 1372, als gelegen in den omtrek der verwoesting heel wel vernietigd zijn en 12 jaar naar die verwoesting, 1390, het herstellen van hetzelfde weder zijn hervat.

Het heeft mij altijd bevreemd, dat geen der Schrijvers, die over de verandering der Noordzee kusten in het algemeen, of meer bijzonder over het oud Batavisch zeestrand hebben gehandeld, van het eerst genoemde [7] Charter van 1390 eenig gebruik hebben gemaakt, vooral daar er eene uitdrukking in voorkomt, niet onbelangrijk in het voor en tegen van een geschil, dat somtijds buiten dien met veel bewijs van geleerdheid is gevoerd, zij is “die gherechte diepte tusschen het land van Vlaenderen ende Walcheren leghet aan die zuutzide.” Wat men door de gherechte diepte moet verstaan kan de geheele stroom niet zijn, die daar ter plaatse Walcheren van Vlaanderen scheid, want in dat water was de Schorre aan alle zijden gelegen: het stroomde ook even eens ten noorden van het zelve door een diepte, tegenwoordig bekend onder de nam van het Oostgat, dat intusschen in de Giftbrief niet genoemd word, maar wel het aan de andere zijde van dat gat gelegen Eiland Walcheren. Waarom zou het dan hier den geheelen stroom bedoelen, die tusschen De elboog en de Vlaamsche Wal heen schoot, en waarom ook hier niet evenals aan de andere zijde, den stroom overgesprongen en den oever zelve tot gemerkte gemaakt?

Naar mijne gedachte, om dat, in de toen reeds door water verruimde vlakte, nog eene bijzondere diepte bestond, nader bij gelegen dan den door inbraken teruggezetten Vlaamschen oever, welke diepte vroeger door menschen handen was gegraven, om als eene geregtelijke scheidslinie tusschen landen en landen te dienen, en welks bestaan ofschoon door inundatie verwoest en onzigtbaar geworden, nogthans door den graaf als zoodanig werd geëerbiedigd en zijn doel door de uitgedrukte bepaling schijnt te worden erkend en in acht genomen, en zonder verdere omschrijving noodig te hebben, door den [8] tijdgenoot werd begrepen. Ik bedoel de Otto-gracht, welks aanwezen door sommigen later betwijffeld, hierin wel een zijdelings maar nogtans weder een krachtig bewijs erlangt van zeker te hebben bestaan.

Wij zien den graaf van Zeeland hier handelen, in zijn volste regt, maar tevens met inachtneming eener wijze behoedzaamheid, om zijn vorstelijke Nabuur, den graaf van Vlaanderen, geen reden tot onrust te geven, even of hij, van de omstandigheid gebruik makende, ter gelegener tijd, uitbreiding van domein of grondgebied op het oog had en die thans reeds bedektelijk voorbereide. Immers daar de bedoelde Schorre, daar ter plaatse, op zulk een korten afstand van de zuidelijke grens van Zeeland lag, was zulk eene behoedzaamheid ter voorkoming van mogelijke twisten gepast en wel berekend. Bij het stellen der gemerkten stond het den Graaf vrij, aan de noordzijde van de Schorre, het Oostgat over te springen, en het eiland Walcheren tot gemerkte te nemen, wijl dit even eens tot zijn gebied behoorde. Aan de zuidzijde was dit anders: daar bedekte de watervlakte niet alleen Zeeuwsch maar ook Vlaamsch land, sedert eeuwen als zodanig door eene waterleiding als regtsgebied, gescheiden en welke scheidslinie, met de landen ter wederzijde gelegen, gezamentlijk voor het oogenblik door water verduisterd, bij eene mogelijke herwinning, ieder weder zijn eigen Heer toebehoorde. Deze Watervlakte kon niet geheel worden overgesprongen, en den Vlaamschen oever tot gemerkte gemaakt, zonder het gebied van een ander te overschrijden en zich den blaam van overheersching met al de mogelijke gevolgen [9] op den hals te halen.

De zee, eenmaal de suatiesluizen dezer scheidslinie overweldigd hebbende, heeft over hare lagewaterleidingen heen, heinde en ver om zich rondgegrepen, en verradelijk, menige welvarende plaats en vruchtbaren akker, ver van de zee in het hart der Provincie gelegen, en op niets voorbereid, in moerassen en dieptens herschapen. - De door het oeverzand verhoogde kustlanden, achterom heen trekkende, vormde zij, als het ware onder de hand, een nieuwen oever, en liet voorop verscheide kleine Eilanden, meestal met duinen gesierd, welke later, de een voor den ander, onder de ruwe aanvallen van Wind en Water, het hoofd hebben gebogen en zijn ondergegaan.

Volgen het gevoelen van een kundig Schrijver, zijn de Noorder en Ooster Rassen, den welbekenden Banjaard, en andere kleindere platen, zodanige afgescheurde deelen van het geheel, die zich een wijl tijds als Eilanden hebben staande gehouden, maar eindelijk voor het geweld der baren hebben moeten zwigten; terwijl hunne, door de Tijdgenoten zeker toegevoegde Namen, niet eens tot aan ons, in aandenken zijn mogen blijven. - Volgens die zelfde meening is de plaat, bij ons nog bekend onder de naam van de Drooge Raan, de grondslag van het op sommige oude kaarten voorkomende Eiland Schooneveld. - En wat de daarvan niet ver verwijderde plaat de Elboog betreft, hiervan denk ik, het vroeger bestaan als geinnundeerd, en tot een Schorre geworden land, te hebben kenbaar gemaakt, en genoegzaam bewezen.
De pogingen van Claes Pentier en later weder die van Claes Koc, doen ons in hen het karakter van den waren [10] Zeeuw kennen, om het Erf der Vaderen niet te verlaten, door het aan de zee prijs te geven, voor dat de laatste spade zulks niet meer weren kan.

En ofschoon ik van Claes Koc niets meer met zekerheid kan zeggen, zoo komt het mij nogthans zeer aannemelijk voor dat er een zelvigheid bestaat tusschen gezegden Claes Koc en een der Famillie leden van een gelijknamig geslacht dat mede door inpoldering bezittingen verkregen heeft in die streken die tegenwoordig een gedeelte uitmaakt van het vierde Districkt van Zeeland, ik bedoel het Landgoed Coxijde, voormaals gelegen op een aanwas in het Zwin, dat in 1587 is ondergevloeid en te niet gegaan, ten gevolge der Innundatie, door het openen der Slippendamsche Sluis, daargesteld tot verzekering van de vesting Sluijs, tegen de ondernemingen van den Hertog van Parma nadat vooraf, in 1570, de gronden en waterweringen in die streek, door storm en watervloed veel hadden geleden, en daarin een voorbereiding tot verderen ondergang hadden gevonden. Bij gezegden vloed van 1570, doorspoelde op nieuw het Jonkvrouwengat, de Passegeule, de Brandkreek en het Coxijde gat, en stelde dus weer eene vereeniging daar tusschen het Zwin en de Braakman. Genoemde stroomen zijn later weer afgedamd, waardoor de plaats van het voormalig Coxide, thans een gedeelte uitmaakt van den Prins Willems polder, aan den kant der Udemede polder; welke Udemede polder later verkregen is door het aanslikken van het Coxijde gat, dat waarschijnelijk mede ontstaan of voor het minst veel vergroot is, door gezegde Innundatie, en niet twijffelachtig, zijn naam heeft ontleend van het gehucht en Landgoed [11] dat het eenmaal heeft verzwolgen.

Uit deze vlugtige schets van zulk eene betrekkelijk geringe oppervlakte, die zich wel voornamelijk in het 4e en 5e Distrikt laat opmerken, maar nogthans door geheel Zeeland heeft plaats gehad, van namelijk het verwisselen van water en land, en zoomede omgekeerd, kan men de onmogelijk[heid] nagaan van het leveren van eene algemeene en doorloopende Historie van geheel den grond diens bodems, zonder eene menigte baarblijkelijkheden als waarheden toetestaan; het leveren dus van goed bewerkte afzonderlijke deelen, en over bepaalde tijdperken, zoo als onder anderen: Scharps, Costumen van Axel; Van den Bogaerde, het Land van Waas; Dresselhuis, het Distrikt Sluis; dezelfde, oud Aardenburg; Q. Janse, St: Anne ter Muide; en het nog steeds in uitgaaf zijnde werk door Janse en Van Dalen, Oudheidkunde, zal altijd als nuttige Bijdragen, voor een misschien nog veraf zijnd geheel welkom zijn.

Hiermede van Claes Kox, Coxijde en het Coxijde gat afscheid nemende, om er denkelijk niet weder op terug te komen, voel ik mij geneigd, alvorens dit gedeelte van Zeeland met mijne Lezers te verlaten, mijn ongeloof te betuigen aan de berigten van Rigord en Brito, gegeven, wegens de vernieling eener Fransche Vloot van 1700 schepen, welke de Vlamingen en Engelschen ten jare 1213 voor Damme zouden hebben aangerigt [marge (a) Dresselhuis, Sluis pag 13] om de eenvoudige reden, dat ik mij geen Watervlakte op eenigen tijd in dien oord kan denken, groot en diep genoeg om zodanige manoeuvres op te kunnen uitvoeren, al steld men de schepen nog zoo klein of weinig diepgaande.

[12] Dat Damme, in deszelfs grootste bloei, een uitgebreide handel dreef, en door talrijke schepen bezocht werd, zal ik niet ontkennen, maar deze moesten het Zwin passeren, en verder van een kanaal gebruik maken, dat, hoe geschikt en ruim men het ook wilde stellen, toch de tegenwoordige breedte der Schelde voor Antwerpen, niet veel zal hebben kunnen overtreffen, of, meerwaarschijnelijk, daarvoor zal hebben ondergedaan. En nu vraag ik: Welke Vlootvoogd zal uit de nabij gelegen ruime Noordzee met zulk een aantal schepen op een binnenlandsch kanaal of meer komen, om een Vijandelijke Vloot van 1700 schepen aan te tasten, veronderstel dat die er zich al bevonden? - Tot zulk een aanval is een geëvenredige strijdkracht noodig; en al wilde men het getal der Vlaamsche en Engelsche Schepen op de helft van die der Fransche of 800 brengen, en het overige door hunne meerdere moed en dapperheid laten uitvoeren, dan zou dit nog een gezamentlijk getal van 2500 schepen zijn, en deze drijven waarlijk in geen brouwerskuip. - “Ik heb altijd eerbied en gevoel voor al wat oudheid heet”, en daarom zal ik eeuwen heugen de berigten door geen Ironie ontheiligen, maar verzoek den Lezer alleen, de eerste de beste kaart van Vlaanderen in handen te nemen, en het terrein tusschen Damme, Aardenburg, Oostburg en Sluis , met oordeel te bezigtigen, en daarna zelve hun geloof of ongeloof over gemelde gebeurtenis te regelen. Immers gezegde steden bevinden zich nog terzelfde plaats waar die toen ter tijd reeds lagen; en als men bedenkt dat de Kronijken ons melden, dat door de Watervloed van 1181 de dijken bezweken, hetgeen reeds van zelfs belegen en bewoond land, daarachter verondersteld, en het gansche gewest, tot boven Brugge, zoo ondervloeide [13] dat de Vlamingen de hulp der Zeeuwen moesten inroepen om het water te bedijken [marge: (a) Dresselhuis, Sluis pag:22], hetgeen zij volgens Huijdecoper ook volbragten, daar zij de zee uitdreven van Damme tot daar Sluis thans legt; verder, dat Graaf Philips van Vlaanderen, door deze watervloed een gevoelige neep in zijn Domein krijgende, zocht te redden wat hij kon, en over alle gewone vormen, gunstbetooningen en blijken van Vorstelijke Welwillendheid heen stappende, het land uitloofde aan ieder die het zou willen beverschen; men kan dus eeniger mate oordeelen over de uitgestrektheid van den ramp, en de verslagenheid daardoor veroorzaakt; maar ook tevens dat onder dien Waterspiegel zich vroeger bewoond land bevond, en dat men hetzelve geensins als het Ligchaam der zee, volgens het tegenwoordig denkbeeld dat men aan woord zee hecht, moet veronderstellen.

Men ziet hier uit dat Aardenburg, even min als Oostburg, aan een binnenlandsch Meer, dat zich tot aan Damme zou hebben uitgestrekt, gebouwd zijn, en het welk men om deszelfs diepte en uitgestrektheid, het ligchaam der zee zou hebben genoemd; maar integendeel aan afzonderlijke stroomen of riviervertakkingen, die zich voor het meerendeel in het Zwin ontlaste, en welk Zwin, zeker door de ouden alleen bedoeld is, als zij van het ligchaam der zee gewaagden.

Aan zodanig een vertakking, het meest waarschijnelijkst aan die der rivier de Lieve, denk ik mij Aardenburg, bij deszelfs eerste ontstaan en langs hetwelk zij even goed hare welvaart heeft kunnen bevorderen, doch welken waterweg door den Vloed van 1181 overspoeld en bedorven geraakte, waarom men haar vergunde, in 1243 een nieuw Kanaal, door de oude bedding der voormaligen Rivier te graven, tot aan [14] Slippendam [marge: (a) Janse, St. Anne ter Muiden, pag 3, en Dresselhuis pag. 9] om zoo doende weder met het Zwin of Ligchaam der zee gemeenschap te krijgen.

Er moge nu, door gezegde vloed, oude Rivier vertakkingen verstopt, en nieuwe kreken geschapen zijn: ja, er kunnen 32 jaar later, Ao 1213, het jaar des veronderstelden zeeslags, nog hier en daar groote waterplassen gestaan hebben, maar deze zullen wel zoo ondiep geweest zijn, dat geen oorlogsvloot daar van partij heeft kunnen trekken.

Herinner ik mij, daar en tegen, het oude spreekwoord: “Men noemt geen koe bont of er is hier of daar wel een vlekje aan”, dan zou ik wel geneigd zijn mij de zaak zoo voor te stellen, gelijk die elders meermalen heeft plaats gevonden: dat twee of meer Natien, naijverig op de welvaart of gelukkiger handelspeculatie van een derde, een Volksoploop verwekte, en onder begunstiging daarvan, de Factorijen, bergplaatsen of schepen der benijde Natie, plunderde verwoeste of verbrande. Dat door zulk een lakenswaardig bedrijf, hier volgens de berigten, door Vlamingen en Engelschen gepleegd, 17 Fransche Koopvaardij Schepen, in de Stad en het kanaal van Damme zich bevindende, het slagtoffer zullen geworden zijn; hetgeen later, door verkeerde berigten en wijdt klinkende faam, die niet zelden de minst beduidenste zaken, eenmaal in de Geschiedboeken opgenomen, tot de schitterenste feiten verheft, hierin ook weder haar vermogen om honderdmaal te kunnen vergrooten, zal hebben aan den dag gelegd.

Van dezen uitstap, waartoe Claes Pentier, en Claes Koc, door hun bedrijvend leven, aanleiding hebben gegeven, keeren wij tot het terrein van de tegenwoordige Westerschelde terug.

[15] Een andere schrijver, door mij zeer hoog geacht, en algemeen erkend als de meest bevoegde om over de Aloude gesteldheid van Zeeland de pen te voeren, is nogthans van gedachten de beide opgenoemde Charters van 1372 en 1390 op de Dijkagie van de Westwatering te moeten toepassen, en wel op dat gedeelte Dijks dat van Vlissingen, naar het gehucht Dishoek, strekt. [marge: (a) Dresselhuis, Aloude gesteldheid van Zeeland, pag 105 en nog eens aangehaald in Distrikt Sluis, pag 15 in de Noot]. Deze waarlijk geleerde man, zal het mij niet al te euvel duiden, dat ik een geheel andere mening tegen de zijne heb moeten overstellen; ieder is zijn eige zienswijze het naaste, en op krediet te geloven als men de bronnen zelfs kan inzien, is van niemand te vorderen.

Het Charter, waarbij regeling gemaakt word betrekkelijk de bedijking van Vlissingen tot aan Dishoek, is van 15 Augustus 1293, en alzoo ongeveer 80 a 90 jaar vroeger als de tijd, waarvan er sprake is van het bedijken van eerstgemelde Schorre of Vutdijc; en bovendien van zulk een vreemdsoortige aart, en van zulk eene geheel ander bestelling, dat zij veeleer als een bewijs zou kunnen strekken, dat de door mij bedoelde Schorre, buiten de grenzen van het Eiland moet gezogt worden, en geensins in die bedijking kan begrepen zijn.

Naar mijne lezing, is het Charter van 1293 veeleer aan te merken als eene algemene kwitantie, voor de Ingezetenen van de Vijf Ambachten, en andere Ingelanden, vreemd zijnde aan de nieuwe Dijkagie, die, al waren zij zelve niet Dijklastig, op de buitengewone bede van den Graaf, gemetsgewijze gelden hebben gestort voor het algemeene welzijn, met toezegging, van voor dit werk niet verder te zullen worden aangesproken, maar de overblijvende kosten, allen zullen komen voor rekening van de belanghebbenden; en zoo deze zich niet wel van hunnen pligt mogten kwijten, in het onderhouden van hunnen Dijk, aan de overige gezamentlijke Ingelanden de vrijheid [16] te laten, een Dijk binnenlands tot eigen waarborg te mogen leggen, en daarmede de nalatigen aan de onstuimigheid der elementen prijs te laten.

Hoe weinig strookt dit alles met hetgeen hier over de bedijkbare Schorre gezegd is. Ik zal, om verveling te vermijden, het laatst gemelde Charter niet afschrijven; die er belang in steld, of het tegen mijne opgevatte lezing wil vergelijken, kan het vinden bij Van Mieres 1e deel, pag: 554.

En boven dit alles: Het bedijken van de Westwatering, van Vlissingen tot Dishoek, kon in geen geval eenig nadeel aan Vlissingen, of deszelfs ontluikenden handel toebrengen. Zodanig was het met de plaat de Elboog, als dijkbaar Schorre beschouwd, niet: deze kon, vooral oost– en noordwaarts, door gedurige aanslibbing en vermeerderde inpoldering in dien tijd, spoedig groote beletselen, in het toenaderen tot de haven van Vlissingen daarstellen, waarom dan ook bij de uitgifte van 1390 uitdrukkelijk bepaald werd: “behoudelic onser Stede van Vlissinghen haer hantvesten ende recht ende haer haven.”

Men moet zich het vaarwater voor Vlissingen in 1200 en vroeger, niet gelijk denken met dat van 1800. De diepe Westerschelde van heden, en de ondiepe Weilinge of Inner Wieling van vroeger, vormen een groot contrast. De Noordzee had wel naar het verbrijzelen der zeewering, en het doorbreken der duinen een aanvang gemaakt met het overstroomen en verwoesten, maar zulk eenen diepen waterweg had zij zich zelven nog niet geploegd, dit werd eerst het werk der gedurige actie en reactie der golven, in den loop der eeuwen.

De eerste Innundatie mag duizende Menschen levens [17] gekost hebben, allen waren niet verdronken; even weinig als dat alle akkers, vooral in den beginne, voor reddeloos verloren zullen zijn geacht. Hetgeen de vloed overstroomde bragt de Eb weer aan het licht; en kennen wij onze landaart, zij die wel eens hunne Naburen gingen helpen, in het digten en dijken hunner gronden [marge: (a) Dresselhuis Distrikt Sluis pag 22] zullen voor zich zelven, in de ure des gevaars, ook niet reddeloos stil gezeten hebben.

Zij die Zeeland beschouwen als genoegzaam met de tijd des Charters voor het eerst te zijn ontstaan, dwalen naar mijn gedachten: zij zien in iedere uitgifte ter bedijking een aanwinst van nieuw geschapen grond, in plaats van herdijking van het reeds vroeger bestaan hebbende. Het eerste mag voor sommige waar zijn geweest, gelijk voor den Selnissen polder, bedijkt 1546, waarvan, bij wijze van uitzondering, in het octrooij gezegd word: “dat de schorren daartoe te bezigen, nooit tot geenen tijd bedijkt zijn geweest”, maar de meesten waren het tegenovergestelde: Rampvolle bouwvallen van vroeger rijk bevolkte streken.

Daar de Mensch, de neiging van den Roerdomp of Zeemeeuw mist, om op dorre stranden of barre schorren te verblijven, en zich daar een gezin te verwekken, zoo kunnen wij met grond besluiten dat die duizenden, waarvan de aloude geschiedenis dezer landen gewag maken onder de namen van Morinen, Matiaciers, Menapiers, Toxandries en andere, geen bezit van een streek zouden genomen hebben, die voor gedurige eb en vloed bloot lag, maar wel in tegendeel van zulk een, waar de Natuur, vooral door hare zandduinen, een eigen grens aan de zee had gezet, en daar achter in eeuwen van rust, leven en groeikragt in de kluit had gestort, waardoor grasvelden en wouden werden gevormd, en het later geschikt gemaakt tot [18] woonplaats van Menschen.

En dat de tegenwoordige Westerschelde, ook eenmaal in dien zegen van vruchtbaarheid heeft gedeeld, en haren zilten waterspiegel alleen een uitwerksel is van noodlottige toevallen, gevolgd door een nasleep van rampen, kan, behalve uit zooveele, andere redenen, daaruit mede worden opgemaakt, dat Melis Stoke, haar op Ao 1302 beschrijft als eene naauwe, onreine diepte; en dat omtrent op dien tijd, door andere wordt gemeld, dat den Tol op de Oosterschelde, bij IJersike oir, geheven, veel ontdoken begon te worden door Koopvaarders die op Antwerpen handel dreven, daar zij langst de Honte daar heen zochten te komen, dat vroeger niet was kunnen geschieden, door de ondiepten en naauwte van dien waterweg; een bewijs genoeg dat dit terrein zich toen nog in een overgangsperiode bevond, van land in water.

En wat betreft de plaat de Elboog, zoo als ik haar in October 1372 als bedijk Schorre heb doen kennen, en die de voornaamste aanleiding tot dit schrijven gegeven heeft, ik meen dat dezelve, ook als zodanig, een zeer gewigtige bijdrage levert, tot bewijs der wettigheid van mijn gevoelen, betrekkelijk den alouden Landelijken toestand van die oppervlakte, thans door de Westerschelde beslagen.

Daar waar de hoogte des Waters het onvermijdelijk maakte, en men den vloed niet tijdig genoeg had kunnen beperken, heeft zij in het aloude land van Walcheren, inbreuken gemaakt, en vruchtbare Akkers in Zoutelanden herschapen, of wel die geheel uitgeploegd, en zoo kronkelend tot een, noord-oostwaars daar achter gelegen, sprank der Schelde doorgedrongen. Hoe lang het bestaan dier vertakking geduurd heeft, is niet te bepalen; maar zeker is het dat staande dezelve [19] de Westelijke inbraak bij de tijdgenoten bekend was onder de naam van Maput, en het terrein dat de meeste werking heeft ondergaan, bij ons nog bekend staat met de naam van Zoutelande en het Zand; en de Oostelijker onder die van Duvelé en Wijdtvlied. Alle zijn naar verloop van jaren gelukkig weer buiten gedrongen, de eerste door den Werendijk, en de laatste door de Boonendijk. Aan de oevers der laastgenoemde Vlieten heeft zich een zeebuurt van visschers en kleinhandelaars gevormd, bij onzen leeftijd nog gedeeltelijk bestaande, en bekend onder de naam van Oud-Vlissingen. Naderhand, bij het verdiepen van den hoofdstroom, en het herwinnen van genoegzaam geschikten grond, heeft zich het tegenwoordig Vlissingen, van lieverlee gegrondvest, en door een schitterenden handel, voornamelijk in de West-Indiën, voortgezet langs dien vroeger zoo ongeschikten Waterweg, zich een naam verworven door geheel de handeldrijvende Wereld.

Indien de Zoutelanden door geen onverwachte overstrooming van buiten of uit zee, tot zoutelanden waren gemaakt, maar voor het eerst door opwassen in de kreek of Vliet Mapute waren ontstaan, hoe kwamen zij dan bij uitzondering aan de zeldzame naam van Zoutelanden? Immers alle op- en aanwassen in Zeeland, ontstaan in zoute Wateren, en zouden dus dien naam verdienen. Neen, hier hebben andere zaken plaats gehad, dan de schrijvers doorgaans veronderstellen; zaken die wel door geene geschrevene oorkonden te bewijzen zijn, maar waarvoor de baarblijkelijkheid ons borg is, in de sporen die de Natuur zelve van hare werking heeft achtergelaten. Men ontwaard hier niet gelijk elders, dezelfde blijken van het langzaam ontstaan, en eindelijk, door inpoldering geheel aan eensluiten der deelen, maar integendeel een aloud vast,[20] ten minsten gesloten land evenals nu, maar welligt de dubbelde oppervlakte hebbende van thans, dat eenmaal door noodlottige inbraken in brokstukken is geploegd; de kreken, daardoor ontstaan, eenigen tijd in Vlieten heeft gelaten, de lagere landen in moerassen of dagelijks ondervloeijende Schorren, en de hoogere, in een wel vruchtbaar, doch steeds bedreigd oord van toevlugt en woonplaats voor een door overstrooming uitgedunde bevolking, wier leven bestond in het heimwee der Vaderen voor hunnen geliefden geboortegrond, waar zij achter de zandduinen verscholen, op hunne akkers het streelends gevoel ontwaarde, wanneer zij de stem des Leeuwriks hoorden paren aan het nimmer eindigend gesuis der zee; of, bij een oproer der Elementen waarbij hemel en aarde in strijd schenen, en ieder ander den schrik zou vernietigd hebben, zij, vol beraden moed, met de spade in de hand en het dekstroo hunner hut, of den tarweschoof hunner akkers op den nek, de noordzee tegen heilde, om deszelfs oproerigheid te doen smoren in hare eigene golven, en de bressen te stoppen die de vernielende baren in hun Dijksbeschot geslagen hadden. Zoo badende door het binnendringende element, verwierven zij teregt den fier zwemmenden Leeuw voor hun Zeeuwsch Blasoen, en het devies : Luctor et Emergo, werd door hen eene waarheid.

Een verder bewijs voor mijne stelling is het volgende: Ieder weet de duinen bij Zoutelande, door gedurig overstuiven, zich langzaam binnenwaards verplaatsen; het gevolg daarvan is dat de landen, digt bij dezelve gelegen, van lieverlede in waarde verminderen en eindelijk geheel worden prijsgegeven. Dat woningen en schuren [21] van de haar omringende vruchtbare teelgrond beroofd, weinig aantrekkelijks meer hebbende, worden gesloopt, en de telbare have elders heen gevoerd, waar men een veiliger onderkomen kan vinden, of er zich een naar verkiezen laat bouwen. Zoo is thans nagenoeg algemeen den langzamen gang der Volksverhuizing in die streek; en wilde ik een Topographie van Zoutelande geven, zoo als het zich sedert 60 jaren aan mijne opmerking heeft vertoond, men zou er zeer veel veranderd vinden. De thuintjes achter de huizen die rugwaards naar de duinkant staan, thans de betrekking van contreforts schijnen te vervullen, om het voortglijden te beletten; de doorlopende Leguster haag, die de gezegde thuintjes van de daar achter gelegen vroonpad scheide, die zelve bij mijn geheugen nog breed genoeg was, om een gewone Boerenwagen door te laten; Waar is dat alles? Onder het duin. - Een waterput, die vroeger het midden van een plein of Marktveld uitmaakte, is men thans verpligt, tot algemeen gebruik, zoolang mogelijk met metselwerk te verdedigen, om niet geheel onder het zand begraven te worden. - Een vliedberg, wier plaats in de helling van het duin, zich in mijn jeugd nog kenmerkte door gras, in onderscheiding van de overige daar rond groeijende Duinhelm, laat nu geen spoor meer van zich na. Dit alles draagt blijken van het langzaam binnenwaars wandelen der duinen, en geeft aan den meer rijke bewoner gelegenheid zijne bezitting op zijn gemak te verplaatsen, en de verder onbehagelijke woning, aan den minder gegoeden Arbeider of Koewachter in te ruimen, die, al wierd zijne in bouwval verkeerende, hut, later al eens onverhoeds door eene zandstorting bedolven, het Nageslacht, naar verloop van eeuwen, weinig meer van die bezitting, wegens deszelfs onbeduidendheid, te zien zou krijgen.

Maar hoe is het nu op het Strand, aan de andere zijde van het duin gelegen? Daar vertoonen zich andere zaken, sporen van [22] plotselinge werking, van hevige en onverwachte gebeurtenissen, die de aloude bewoners geen tijd van vlugten gegeven hebben, of hunne draagbare bezitting met zich te voeren. Het voortglijden der duinen doet de grond als onder zich voortgaan, en de golfslag daarop nu kunnende inwerken, brengt datgene aan het licht wat eeuwen lang verborgen was, en de tand des tijds nog niet heeft vernietigd. Van dien aart zijn de menigte kleinere en grootere penningen, munten en andere diergelijke dingen, die alle getuigen dat hier vroeger Menschen moeten hebben gewoond, die plotseling verdreven, zelfs geen tijd gehad hebben hun geld, dat noodwendig iets in de zamenleving, met zich te voeren, het zij door bij den ramp te zijn omgekomen, of later, door aanhoudende overstrooming of ander beletsel, daartoe geen gelegenheid meer te hebben kunnen vinden.

In een voorgaande Zomer had ik het genoegen, bij eene eenzame landwandeling, tot op het strand rondwarende, en mijmerend nadenkende over het groot aantal familieleden, van moeders zijde, die sedert de onheugelijkste tijd, op Zoutelande het eerste levenslicht ontvingen, hunne echt oud-Zeeuwsche naam (Koppe Jan) eerzaam beleefde [marge: (a) Koppe is een naam vroeger in Zeeland veel in gebruik, thans bijna geheel vergeten; de bijvoeging van Jan of Pieterszoon was alleen tot onderscheiding der verschillende Koppens. Op de Lands Registers en Geschotkohieren vind men die naam altijd in een woord, Koppejan, geschreven; de meeste famillie leden schrijven Koppe Jan en laten achter op hunne wagens bij voorbeeld altijd zetten J.K.J.(Jacobus Koppe Jan). De zich beter onderwezen achtenden en stedeling, mag zulks voor lomp Boers beschouwen, het is nogthans echt Oud Zeeuwsch.] en thans, in deszelfs zandigen grond, hunne geheel ontbinding verbeiden, dat mij een zodanig Muntje, uit het zand, voor de voeten blood speelde. Hoe gering aan innerlijke waarde, was de verschijning, als een erfenis van het voorgeslacht, mij dubbel aangenaam. Een Inwoner dier Plaats, tusschen Kerktijd daar ook tegenwoordig, vereerde mij nog een ander, een uur te voren daar ook door hem gevonden, en zond zijn zoontje naar huis, om een beursje waarin een aantal diergelijke waren, door hem op onderscheide tijden, genoegzaam op dezelve plaats gevonden, en wier hoeveelheid zeker een Neerlandsch Maatje voor een derde of misschien de helft zoude gevuld hebben; doch [23] alle van weinig beteekenis, daar de muntslag genoegzaam vergaan was, terwijl hij andere, meer duidelijke, voor geringe som aan liefhebbers had afgestaan. Slechts een trok mijn aandacht, wegens de vele overeenkomst, hoewel grooter in omvang, die ik tusschen hetzelve en die door mij gevonden, bespeurde, waarom ik hem verzocht die ook aan mij te willen afstaan. Later, toen het water weer was opgekomen, en ons vertoeven daar langer nutteloos was, bragt hij mij bij iemand, die weinig dagen te voren, een gouden vingerring gevonden had, op een stuk derrie, waaraan ze nog gedeeltelijk vast zat; dezelve was van een fraai en zeldzaam maaksel, geheel gaaf en bestond uit 10 of 12 geledingen, gevormd in de manier van kleine kootjes, of zoogenaamde Bikkels, die door nageltjes verbonden in elkander draaide evenals sommige ijzeren scheepskettingen; dit Ringetje was door mij niet te verkrijgen, daar den eigenaar reeds met iemand anders, tot verkoop in onderhandeling was.

De twee gezegde Muntjes zijn zeer klein, en van diergelijke soort gelijk de Heer Macaré heeft afgebeeld in zijne beschrijving van de bij Domburg gevonden Munten, plaat 3, No 68 tot 73 zij hebben naauwelijks de groote van een Nederlandsch zilver stuivertje of vijf cents stuk.

Het door mij gevonden muntje is het grootste van de twee en heeft 14 millimetres in middelijn; de teekening en gravure van den stempel, die op koper of biljoen geslagen is, is zeer zuiver, en verraad reeds bij den eersten opslag dat men den oorsprong derzelve moet zoeken in een tijdvak digt bij dat van het Romeinsche; het later ingeslopen Barbaarsche had op dit kunstvoorbrengsel nog geen invloed gehad. Het is een weinig grooter dan No 69 op gezegde platen, en heeft aan de eene kant een diergelijk kruis, [24] maar in plaats van de daar voorkomende halve maantjes zijn er vier, zuiver gevormde, Romeinsche kapitaal letters, tusschen elke punt één K,V, R, I, hetgeen ik denk dat te kennen zal willen geven Klovis Vrancorum, Rex I, of Klovis eerste Koning der Vranken, zijnde dit, voor dien heerschzughtigen Vorst, den titel die hem het meest streeld. Men zie P. Daniel, Histoire de France, aangehaald bij van Loon, Aloude Holl: Hist: 1e deel pag: 243 in de Noot 5. Evenzoo is ook het kruis het zinnebeeld van zijne veranderde Godsdienst belijdenis: Immers nadat hij van Ao 491 tot 495 een reeks van overwinningen had behaald, verliet hij de Heidensche Godsdienst, en liet zich met drie duizend van de voornaamste des Lands, door den doop het Kristendom inwijden. Wij zien alzoo in dit kleine pengje, als het ware, het geheele bedrijvende leven van Koning Klovis, den stichter van het eenmaal zoo magtig geweest zijnde Vrankische Rijk.

Is mijne meening hierover goed, dan kan het gemunt zijn in het begin der zesde eeuw, immers voor November Ao 511 toen Klovis overleed. Daar Zeeland in die tijd en nog lang daarna, tot het Oost-Vrankische Rijk behoorde, moet het niemand verwonderen munten van dien Vorst, in den grond van Walcheren te vinden, vooral door den gedurigen koophandel die op deszelfs gedreven is. - De keerzijde bevat, voorzoover ik zien kan, alleen een klimmende Leeuw, wiens staart tegen de rug kronkelend oploopt, en op de hoogte der schouders pluimsgewijze gespleten is; of zoo dit laatste geen uiteinde van den staart is, maar in tegendeel twee vleugelen die uit de schoften des diers voorkomen dan kan het een Spinks of ander diergelijk, door de verbeelding geschapen wezen zijn, waartoe de gedaante des kops ook wel aanleiding geeft, want voor een Leeuwenkop zou dezelve wat misteekend zijn, in aanmerking van het overige [25] kunstmatige. Hoe het zij, het moedige dier is een geschikt zinnebeeld zijner vliegende overwinningen, en van den spoedigen aanwasch zijns magtigen Rijks.

Het tegenwoordige geslacht mag Napoleon I als een eenige begroeten, de geschiedenis weet uit den ouden tijd Vorsten aan te wijzen, bij wier meesterstukken van overweldigen, de wapenfeiten van den verëerden Keizer, slechts als leerlingswerk te beschouwen zijn.

Het tweede Muntje, van zilver, is door afslijten of besnoeijen nog kleinder van omtrek, naauwelijks 12 Millimetres in middellijn; het bevat aan de eene zijde mede een diergelijk kruis maar de letters die er eenmaal tusschen gestaan hebben, zijn niet meer te ontcijferen; overigens zijn, over het midden van het kruis, de onderscheide deelen van hetzelve, door een krans aan een verbonden, misschien wel een Paternoster of zoogenaamde Rozenkrans, als zinnebeeld van meerdere verkleefdheid, of een gevorderde trap van kennis aan de Godsdienstgebruiken der Christenen uit de Heidenen, in die dagen.

Op de tegenzijde ziet men twee door elkander gevlochten Triangels, waarvan de drie punten des eenen in kleine ronden eindigen, in welk van ieder een stip staat; de punten des andere zijn versierd met een Lelie of Lansijzer waardoor men telkens overhands een Lelie of een rondetje aantreft; het geheel is van een veel grovere bewerking als het vorige.

Daar deze munten genoegzaam ter zelfde plaats, en slechts een uur naar elkander gevonden zijn, zoo komt het mij voor, dat zij in het vroeger bedrijvende leven, ook niet ver van elkander hunne bestemming zullen vervuld hebben, en dat hetzelve noodlot of toeval hun ook zoo veel eeuwen lang samen onzigbaar zal hebben gemaakt. Maar is hun lot ook zoo [26] lang vereenigd geweest, de tijdperken van hun ontstaan zullen ook niet ver van elkander mogen gesteld worden, daartoe is te veel overeenkomst in beide. En op wie kan dan, met meerder grond, de aandacht vallen, dan op Dirk I, oudste zoon van Klovis, die naar zijn Vaders dood, Ao 511 bij de verdeeling van het Rijk van Klovis, onder deszelfs vier zonen, dat gedeelte bekwam waaronder Zeeland behoorde, en welk vierde deel in later tijd meest bekend staat onder de naam van het Oost-Vrankische Rijk. Deze Dirk I huwde voor de tweede maal (van zijn eerste huwelijk en met wie is weinig met zekerheid bekend) met Suavegotha, dochter van Sigismund , Koning van Bourgonje, en het is de vereeniging dier beide Vorstelijke Stamhuizen, die zeker door de vereenigde triangels met verschillende punten, zal worden uitgedrukt. Dirk I overleed in 534, volgens de Geslachtlijst, te vinden bij Van Loon pag. 246 en 247.

Het derde Muntje, eenige dagen vroeger, mede daar ter plaatse gevonden, is op koper of Biljoen, 18 Millimètres in middellijn, alzoo iets groter dan een nieuw Nederl. zilveren 10 cens stukje. Aan de voorzijde is duidelijk een eenigsins bejaard manshoofd met een spitse gevulde baard, en gedekt met een Vorstelijke Kroon; op de keerzijde staat het zelve moedige dier, in dezelve houding als op het eerst vermelde stukje, dat ik gevonden had. De muntstempel is ook even zuiver, en als door dezelve hand gesneden; van het randschrift kan ik niets meer zeggen, dan dat de letters eenmaal zuiver gesneden, voor het meerendeel ontbreken en de andere door slijten of besnoeijen voor de helft weg zijn. Ik denk dat in den handel de eene de dubbelde waarde des anderen zal gehad hebben, even als een heele en halve cent.

Zijn mijne gevoelens over de gevondene munten gegrond, [27] dan bewijzen zij, buiten nog zooveel andere gevolgen dier er in het belang van de Geschiedenis uit kunnen worden afgeleid, dat de plaats van hun aanwezen zeker eenmaal door menschen moet zijn bewoond geweest, die zoo onverhoeds van daar zijn verdreven, dat hun de gelegenheid benomen was hun geld en kostbaarheden mede te voeren, of in veiligheid te stellen.

De oorzaak kan gezocht worden in het onverwacht bezoek der Deensche Zeerovers, die met een talrijke Vloot Ao 513 de kusten van het Oost-Vrankische Rijk, algemeen Vriesland genaamd, en waaronder Zeeland mede gerekend werd, bezochten: met volle zeilen den Rijn bij Katwijk invoeren, en daar op een verschrikkelijke wijze huishielden, alles wegroovende, de Inwoners tot slaven opvingen, en wie hen tegenstond van het leven beroofde. Sommige dier Woestaards kunnen met hunne schepen tot aan Walcheren zijn doorgezeild, en daar hun plunderend bedrijf mede hebben doorgezet. Maar daar bij de mogelijkheid, nogthans de zekerheid daarvan ontbreekt, en het tweede vermelde Muntje aan Dirk I toegekend, en als bij zijn tweede huwelijk geslagen, gewigtige bedenkingen tegen het jaar 513 kan opleveren, zoo wil ik liever aan een dier geweldige watervloeden denken, die de gedaante des lands, op onze kusten, zoo zeer hebben veranderd, en waarvoor, op de hoogte van het tegenwoordig Zoutelande, in die tijd reden genoeg bestond, om een beduidende inbraak plotseling te kunnen veroorzaken, en de gevolgen daarvan jarenlang te doen aanhouden, tot dat de Natuur, als heelmeesteres zelve optredende op hare wijze, en volgens de voor haar vastgestelde wetten, de wonden heelde, eenmaal door haar [28] zelve geslagen.

Hier verder over het besproken terrein, en den omtrek van dien, zoo als hetzelve zich in die dagen vertoond zal hebben, uijt te wijden, zou voor mijn oogmerk ongeschikt zijn, en door vele mijner lezers, voor als nog misschien niet regt begrepen worden; lager zal alles meer duidelijk zijn, als ik over de Schelde en Ottogracht mijne gedachten regelmatig uit een zal hebben gezet. Alleen acht ik het van belang er nog bij te voegen dat Fridrich Arends, in zijne geschiedenis der Watervloeden aan de kusten der Noordzee, op pag. 8, uit Scarles, Winsemius, Schotanus, Galbema, Outhof en andere het volgende zegt: “In 533 of 570 veroorzaakte een drie daagsche Storm uit het Noordwesten, weder een overstrooming in Vriesland. Het Slot van Koning Oldibaldus staande op het roode Klif werd door den storm geheel en al weggeslagen; in 584 en vervolgens in 626 werd Vriesland door nieuwe hooge vloeden overstroomd, het welk naar men wil aan Koning Adgillus, aanleiding heeft gegeven om Terpen te laten opwerpen, die in tijd van nood tot toevlugtsoord voor Menschen en vee zouden kunnen dienen.” Ofschoon nu deze berigten wel bepaald alleen van Vriesland schijnen te spreken, zoo brengen zij nogthans een volkomen denkbaar bewijs mede, wat weinige uren westelijker op diezelfde kust zal zijn gebeurd; het was alleen gebrek aan Historische narigten, die de geschiedschrijvers van die dagen belette daar aanteekening van te doen. En wie zou het zich ten pligt hebben willen stellen, de omkeeringen door stormen veroorzaakt te schetsen, van een landstreek die buiten dat, bij de nabuur bekend stond als een land waar verandering te huis was, en hetwelk bij den vreemden bezoeker, bij den [29] ver afwonenden Romein beschouwd wierd als het land van nevelen en wonderen; en waarover de aanzienelijkste en ervarenste onder hen, bij hunne tehuiskomst niet durfden beslissen of zij een zee bezocht hadden met veel landelijke ondiepten, of een land voorbeeldeloos met water doorsneden, en bij de minst ongunstigste omstandigheid ondervloeijende.

Dit ondervloeijen geschiede nogtans niet door het zeewater, daar had de Natuur met hare Duinen zorg voor gedragen, maar door het van hoogere streken afkomende land en Rivier water, dat bij de minste onstentenis van ijsverstopping of te overvloedige Sneeuw en Regen hare gewone bedding verliet, en zich over het nabijgelegen land verdeelde. Ware het anders geweest hoe zoude zulke onmetelijke Bosschen hebben kunnen ontluiken en eeuwen lang voortgroenen? dit geschied nergens in het bruischende zeenat, maar wel in vruchtbare waterrijke streken, daar kan de Natuur, in eeuwen van rust, uit de overblijfselen van het jaarlijks verstervende plantenrijk, zich een molmen grondlaag vormen, die soms verscheide voeten dikte heeft, en waarin stronken en wortelen, en door stormen gevelde boomstammen, met hare takken begraven leggen, doch na verloop van eeuwen, onder gunstige omstandigheid, van hunne eenmaal plaats gehad hebbende aanwezen, aan het Nageslacht de zekerste getuigenis geven.

Wanneer, om aan nieuwe Maatschappelijke behoeften te voldoen, de hand des Gravers de grond wegdelft, die schrik verwekkende Catastrophen, en een daarop volgende nieuwe vegetatie, daar vroeger overheen gebragt hebben, dan vertoont zich niet zelden, aan den nadenkenden beschouwer een ongedachte en ongekende Schepping die een eerbiedige [30] verwondering verwekt en het hart in een trillende verstomming doet wegsmelten voor den Grooten Formeerder aller dingen, bij Wiens eeuwige Scheppingswerken, de meest vergrijsde menschelijke oorkonden en giftbrieven, als nieuwsblaadjes van een dag te beschouwen zijn.

Die, weinige jaren geleden, den aanleg der Vestingwerken rond Neuzen heeft bijgewoond, en het merkwaardige dat den ondergrond ten dien opzigte, aan stronken en gewortelde stammen, telkens opleverde, heeft gade geslagen, zal zulks volmondig toestemmen. En hoe dikwijls was ik in den zomer van 1853 bij het aanleggen van de nieuwe uitwaterings sluis in den dijk van de Zuidwatering van Walcheren, zelve getuige, hoe wortels, maar vooral takken, waaraan de bast nog zat, en de houtsoort deed kennen, als licht roode bloedaderen door den overigen bruinen Derry grond heen lagen.

Den Derry grond, gevormd uit het jaarlijks verwisselen der boombladeren en overige boschruigte, verkoold spoediger tot een zekere aardsoort, dan de meer vastere zelfstandigheid der gesloopte stammen en takken, die, in de molme bedding opgevangen, daar in als begraven worden, en door die bedekking aan de volle inwerking des dampkrings en het verkolend vermogen der zuurstof, ontrokken, niet dan zeer langzaam in derry aarde overgaan.

Men behoeft geen Romantische verbeeldingskragt te bezitten, om zich een halve eeuw voor het begin onzer jaartelling, een woud voor te stellen, dat van af Ter Neuzen tot aan Ritthem zich heeft uitgestrekt; de geschiedenis van die dagen geeft er aanleiding genoeg toe, en een Menapier, Marezaat, of een Landman der Morinen, een dier geharde Boschbewoners, behoefde slechts vier uren tijds om dit [31] jagtveld te voet af te rennen. Des morgens zijne hut verlatende, opgeslagen in eene streek waar 8 à 900 jaren later, bij gelegenheid eener geweldige omkeering, zich eene kreek vormde, krom in de gedaante van eene Neus, en in welks nabijheid een vlek en daarna een Stad van dien naam verrees, was gezegde jager, in een noordwestelijke rigting voortgaande, des namiddags bij zijne vrienden of bloedverwanten op Ritthem (woonplaats der Menschen), om er aan de gastvrijheid deel te nemen, en kon des avonds weer vroegtijdig bij zijn gezin zijn. Doch waarover hij, onder het lommer uitrustende dien avond mag gedacht hebben, zeker zal de mogelijkheid niet voor zijnen geest opgekomen zijn, dat in de verre toekomst, zijn geliefkoosde bosch, eens in eenen diepen Waterweg zou verkeeren, waarop, bij het gieren van den Storm, het veege lijf van menigen zeeman naauwelijks het doodsgevaar zou ontkomen of aan hetzelve ten offer worden gebragt.

Wij willen, om onze denkbeelden te regtvaardigen, een daadzaak uit de Geschiedenis bij brengen, die mogelijk nog niet genoeg in het belang der oude Topographie van dit gewest is beschouwd of toegepast.

De alles overwinnende Romeinsche Krijgsbenden, waren onder aanvoering van Julius Cesar, [marge: (a) Julius Caesar was de grondlegger der Romeinsche Alleenheersching, hij leefde voor de geboorte van Christus; Keizer Augustus was zijn opvolger, onder deze is Christus geboren] in het 57 jaar voor Christus ook bijna onze landpalen genaderd; zij leverde bij de Rivier de Sambre, in den omtrek van Landrechies en Maubeuge, aan de daar wonende Nerviers, slag, en wel met het gevolg dat de ongelukkige Bevolking, door hen bijna geheel werdt uitgeroeid, daar er van de zeshonderd Aanvoerders slechts drie over waren en van de zestig duizend krijgers naauwlijks meer 500 in staat om wapenen te dragen. De onweerbare Vrouwen, Kinderen en [32] grijzen, waren vooraf in ontoegankelijke plaatsen door bosschen en moerassen beschut geborgen. Na het eindigen van den slag kwamen zij aan Cesar hunne onderwerping betuigen, die volgens zijne gewoonte eenige gijzelaars tot waarborg bij zich ontving, hun alle genade verleende, en gebood dat zij in hunne steden en plaatsen rustig zouden blijven wonen; en er verder weinig aandacht meer aan verleende. Het doel van den Veldtogt, en zijne marschen, strekten zich in het algemeen in de rigting van het zuid-oosten naar het noord-westen, in de streek van het tegenwoordig Valencienne, Doornick en de Schelde om zoodoende de zeekusten te bereiken, daar hem alles aan gelegen was, wegens de oogmerken die hij omtrent Engeland koesterde.

Na voor de belangen, en het Winterverblijf van zijn leger, in het tegenwoordige Vlaanderen schikkingen te hebben gemaakt, is hij van daar verreist naar Italien, om de Kriigsoperatien tegen Venetien, en den omtrek van dien, in persoon te besturen. Men kan van al het bovenstaande omstandiger lezen in Julius Cesar, 2e boek der Gallische oorlogen. Ik lever slechts een kort bijeen gevat uittreksel, voor zoover dit benoodigt is, om straks tot een algemeen besluit te komen.

Het jaar daarna, het 56e voor Christus, nadat hij Venetien met de naburige landen, aan de Golf van dien naam gelegen, onderworpen had, maakte hij beschikkingen over de krijgsmagt te Water, die daar verder zonder dienst was, als zijnde een treffen te water daar voor eerst niet meer te duchten. Hij deed de schepen Westwaars afkomen, om in een volgend jaar, bij eene onderneming tegen Engeland, van dienst te kunnen zijn; reisde te lande af uit Italie, op zijnen weg overal de Cohorten inspecterende, en kwam in den nazomer bij de Romeinsche Legioenen in Vlaanderen.

[33] Aan de onderwerping der Morinen en Menapiers was hem alles gelegen; deze Volkstammen waren talrijk, en nog steeds onder de wapenen; zonder hunne te onderbrenging miste hij het vrije bewind der zeekusten, die het naast aan de overzijde van Brittanien gelegen waren. Hij achte hun te onderwerpen eene ligte zaak; doch hoe meer hij Noord-westwaars toog en de zee naderde, hoe meer hij ongedachten tegenstand ondervond. Het land werd steeds lager, de moerige streken menigvuldiger en de Bosschen uitgestrekter en digter. Rivieren schijnen zijnen weg niet bemoelijkt te hebben, er wordt daar van ten minsten niet gesproken; de Sambre was de laatste die in het vorige jaar eenig oponthoud veroorzaakt had; de heuvels ter wederzijde waren het toneel van den krijg geweest, en de Rivier in het daar tusschen gelegen dal, had, volgens de aanteekening des Veldheers, slechts eene diepte van drie voeten. De Schelde stroom, of eenige andere, die later naam gekregen hebben, waren toen nog zonder beduidenis.

De Inwoners, van de gelegenheid van hunnen grond partij trekkende, verschenen niet in het open veld, maar trokken steeds achterwaars, en lokte de Romeinen daardoor naar streken, waar hunne gewoone krijgskunst hen niet van dienst kon zijn. De vlugtelingen toonde, door zoo te handelen, dierhalve geen vrees te bezitten van door het Zwin of langs de Westerschelde, door de Romeinen in de rug te zullen worden aangetast; en de Romeinsche Veldheer, ofschoon hem de scheepsmagt van het vorige jaar ten dienst stond, scheen van dit middel geen gebruik te willen maken, hoewel zijn belang hem ten sterksten drong, door alle bij de hand zijnde middelen de onderwerping der Landzaten te bespoedigen. De reden voor het een en ander zal voor den nadenkenden Lezer, verder wel duidelijk worden. Voor het oogenblik schoot er voor de [34] Romeinen niets over dan de steeds terugtrekkende zoover mogelijk noordwestwaars te vervolgen, om hen daardoor van het begeerde punt van overscheping te verwijderen, en intusschen hen zooveel afbreuk te doen en schade aan te brengen als de gelegenheid aanbood.

Toen onweders, plasregens en de invallende winter hen dit verder belette, gelaste Cesar de zoomen der Bosschen te vellen, en uitgestrekte verhakkingen te doen, om daarmede de wegen en uitgangen te versperren, en zoodoende een wal te vormen waarachter zijne Wachtposten voor eene te spoedige overrompeling beveiligd zouden zijn. Het overige zijner Legioenen verdeelde hij in de hooger gelegen streken van Gallie, om de Winterkwartieren te betrekken; waarmede het 3e boek der aanteekeningen eindigd.

Uit het 4e boek, dat de gebeurtenissen in het 55e jaar voor Christus, in Gallie beschrijft, zal ik alleen melden: dat Cesar, in den zomer al zijne magt in het Land der Morinen bij één bragt, wijl van daar de kortste weg bestond om naar Brittanie over te steken. Hij ontbood de schepen van overal uit de naburige landen, en vereenigde die met de vloot welke in den vorigen zomer in den strijd tegen Venetie gediend had. Gedurende dit bedrijf kwamen gezanten van een groot deel der Morinen, hunne onderwerping aanbieden en verontschuldigde zich wegens de gebeurtenis van het vorige jaar, de schuld werpende op ontevredene, woeste en van hunne zeden zeer verschillende Menschen, dat die het waren die den Roomschen Volke den oorlog aangedaan hadden; maar wat hun betrof, zij beloofde namaals alles na te komen wat hij bevelen zou.

Cesar was daarmede buitengewoon te vrede wijl hij bij zijn vertrek naar Brittanie, des te minder vijanden in den rug zou [35] achter zich laten. Twee keurbenden scheepte hij op 80 lastschepen in; 38 andere, die 8 mijlen van daar door tegenwind opgehouden werden, beschikte hij voor de Ruiterij; de lange scheepten bestemde hij voor verschillende andere diensten. De Stedehouder, P. Sulpitius Rufus, liet hij met eene genoegzame magt de plaats der afscheping beveiligen; en twee andere Stedehouders Q. Futurius Sabinus en L. Aurunculejus Cotta, met een diergelijke magt de nog onbevredigde Menapiers in bedwang houden; en de overigen in de Kreisten der Morinen te brengen, van welke nog geene Gezanten, tot het aanbieden van onderwerping, bij hem verschenen waren, maar integendeel daarvan, nog steeds gewapend, en in hinderlagen verscholen bleven.

Wij zullen ieder van hen, de hun opgelegde taak laten vervullen, en Cesar met de zijne naar Brittannien oversteken, daar wij hem tot ons oogmerk, vóór zijn afreis niet verder behoeven, maar hem liever bij zijne terugtogt nog eens gadeslaan.

Na in Brittanien, niet zonder veel tegenstand, geland te zijn, en het daar voeren van eenige krijg met deszelfs bewoners, dat hem mede niet zoo voordeelig van de hand ging als hij wel gewenscht, en zeker ook vertrouwd had, vond hij goed, alvorens later door het gure jaargetij daarin misschien verhindert te worden, want het was al in September, weder het Kanaal over te steken. Met het gros van het Leger gelukte het wel, maar twee schepen raakte uit de koers, en dreven westelijk af, dus nog nader aan Zeeuwsch Vlaanderen; de zich daarop bevindende Soldaten ten getalle van 300 ontscheepten zich, en meende overland het leger te bereiken; maar de Morinen te hoop loopende, ten getalle van ongeveer zes duzend, belette hen den doorgang. Cesar hiervan onder [36] rigt, zond dadelijk de Ruiterij om de beklemden te ontzetten. Daags daaraan werd den Stedehouder F. Labienus, met een keurbende, in het Land der Morinen gezonden om de opstandelingen te tuchtigen. Deze wierden door de Romeinen deerlijk gehavend. Daar de verloopen zomer zeer heet en droog was geweest, waren al de moerassen uitgedroogd, hierdoor misten zij de schuilplaatsen, waar van zij zich het jaar te voren zoo goed bediend hadden, om zich bij hunne vlugt, daar achter te verbergen, en vielen door dit ongeval, de Romeinen bij menigte in handen. Met deze beschrijving eindigt het 4e boek, het 55 jaar voor Christus.

Laten wij hier eenige oogenblikken bij de Geschiedenis stilstaan en zien welke besluiten er bij een onbevooroordeeld nadenken, voor de oude Topographie van ons land, uit de naar waarheid opgegevene omstandigheden, voor de hand te trekken zijn.

Het eerste dat ik onder de aandacht moet brengen is, dat in het geheele verslag van de Gallische oorlogen, voor zoo ver die tot Vlaanderen en Zeeland te brengen zijn, en door mij in de hoofdzaak zijn medegedeeld, nergens, met een enkel woord, melding wordt gemaakt, van een Land of eenig gedeelte van dien, dat dagelijks aan een ondervloeijen van zeewater onderworpen zou zijn geweest. Onkunde aan de gesteldheid der Kustlanden van de oevers der Noordzee, tusschen den Rijn en het Kanaal, noch aan de uitwerkselen die dit verschijnsel, zoo het had plaats gehad, op landen, zonder duinen nog dijken beschut, noodzakelijk zou te weeg moeten brengen, kan men bij den Veldheer niet veronderstellen. In het 3e boek zijner aanteekeningen geeft hij reeds verslag van de moeijelijkheden die de eb en vloed der zee hem veroorzaakte [37] in den krijg tegen den Venetianen; en hoe de schepen dier Natie, meer geplatboomd waren, om langer bij de eb over de ondiepten te kunnen komen. - op eene andere plaats beschrijft hij naauwkeurig den oorsprong en loop der Maas, en hoe deze Rivier het Eiland der Batavieren vormt, en daarna deszelfs water in de Noordzee uitstort.

In het 6e boek teekend hij aan, dat hij in persoon, met een gedeelte des Legers, het land berende gelegen aan de Rivier de Schelde, maar voegd er, gelukkig voor de Topographie en geschiedenis van die tijd, bij: die in de Maas vloeit. Zulk een Rivier de Schelde die in de Maas vloeit, of zijn hoofd uitwatering in de Maas heeft, bestaat bij onzen tijd niet meer. Cesar getuigd er nogtans van, en deze zal wel geweten hebben, waar hij zich met zijne Romeinen bevond.

Dan weder het overtrekken over den Rijn, en Brug, ten dien einde door hem vervaardigd, die alle eer aan een Ingenieur van lateren tijd zou hebben aangedaan. - Bij zijn treffen met de Menapiers, aan de Sambre, teekend hij zelfs de diepte der rivier op; en geeft door dit alles de volledigste blijk dat hij Geographische, Topographiesche en Waterbouwkundige kennis genoeg bezit, om als verstandig Veldheer, in deze streken de krijgsoperatien te kunnen besturen.

Indien nu Zeeland en Zeeuwsch Vlaanderen, in zijnen tijd, zoo dagelijks door ondervloeijen, met eb en vloed had moeten worstelen, gelijk wij het door de geschiedenis van lateren tijd hebben leeren kennen, dan zou dit regtstreeks uit de aanteekeningen wel gebleken zijn, of zijdelings uit de bedrijven op te maken wezen. Immers toonde de Romeinen reeds eene halve eeuw vroeger, in hunne krijgsoperatien, [38] met diergelijke streken niet verlegen te wezen. Toen Rome 102 jaar voor Christus, gevaar liep door Noordsche Volksdrommen, Combriers en Teutonen, overstroomt te worden, werd hun Marius met een Leger Romeinen tegengezonden. Deze, de Alpen overgetrokken, sloegen zich aan de Rivier de Rhône neder; zij vonden de uitwatering door aanslibbing bijna verstopt; een goeden stroom, om levensmiddelen en ande benoodigdheden te kunnen aanvoeren was hun dienstig, zij toonden zich niet onkundig hoedanig daaraan te komen, maar groeven, uit den boezem der Rivier tot in zee, een Graft, ruim en diep genoeg om de uitwatering weder te herstellen, en hen verder tot dekking of tegenstand van diens te zijn.

Het bijgebragte zou op zich zelve reeds toerijkend zijn om te veronderstellen, dat 50 jaar voor het begin onzer tijdrekening, en alzoo 19 eeuwen geleden, de zeekust één aaneen geschakelde en gesloten reeks van duinen heeft opgeleverd, waarachter de toenmalige Bewoners van het terrein thans door Vlaanderen, de Westerschelde en Zeeland beslagen eene veilige woonplaats vonden. - Dan ons staat nog een ander argument ten dienst.

Ten tweeden uit den algemeenen toestand van den Bodem, zoo als ons die door het verslag is kenbaar geworden: overal Bosschen, uitgestrekte en bijna ondoordringbare bosschen; en Moeren, zoo uitgebreid dat men er eenmaal achter zijnde, met veel gerustheid eenen naderenden Vijand kon afwachten, die te ver van het hoofdkorps met zijne Ruiterij zou moeten afzwenken om hetzelve te omsingelen; gezwegen nog of den moerigen bodem, den dienst van Kavalerij zou toelaten.

Wat het eerste betreft, de bosschen, deze ontstaan, [39] gelijk reeds vroeger is aangemerkt, in geen zilten grond, die geregeld in ieder etmaal tweemaal gelegenheid heeft om door de zee overstroomt te worden. Integendeel, eeuwen van ongestoordheid, en een door hemelwater gedrenkte bodem is hun element. De Moeren zijn er een noodwendig gevolg van. De overschaduwende kruinen der boomen beletten eene genoegzame uitdamping, en de grond, door geen ploegkauter geroerd, slorpt, niet dan langzaam, het overbodige regenwater op. Eigenlijk gezegde Rivieren, of stroomen van eenige betekenis, kunnen bij zulk eenen toestand van den bodem niet dan schaars ontstaan; het gevallen water blijft, bij de weinige helling van den grond te veel plaatselijk over de oppervlakte verspreid, en zinkt langzaam weg. Waar eenige samenvloeijing plaats heeft, is zulks te weinig om Rivieren te vormen. Aan het einde der groeven, aan de lage zijde des lands, is het hooge oeverzand toerijkend, dit water in zich op te nemen, en bij de eb in zee uittefilteren. Deze toestand des lands is oorzaak, dat men in de aanteekeningen geen gewag van Rivieren ten Westen der Sambre meer vind. De Schelde en Lijs zullen toen zoo weinig beteekenis gehad hebben, dat dezelve op Caesars handelingen zonder invloed zullen gebleven zijn, en daardoor in zijne aanteekeningen niet opgenomen wezen. Eerst in lateren tijd, toen de beschaafdheid klom, de bosschen verminderde, en de Akkerbouw verbeterde; tot alles van welk het verblijf der Romeinen niet weinig toebragt; en men door ontalrijke grebbels en kanalen, het water van groote uitgestrektheden, tot één verloop te samen bragt, toen zwelden de Rivieren, hunne beddingen verdiepte, en de oevers verwijdende zich. Door vermeerderd vermogen baande het water zich zelven eenen weg door Duin en Strand [40] maar verleende daardoor ook wederkeerig aan den Oceaan de gelegenheid, om al die omkeeringen daar te stellen, daar latere eeuwen getuigen van zijn geweest.

De derde opmerking die ik te berde moet brengen, zal ik trekken uit de krijgsverrigtingen, beide van Caesar en zijne vijanden.

De steeds naar het noorden en noordwesten terugtrekkende Landzaten, behoefden eene groote uitgestrektheid om er zich op te kunnen nestelen; dat lag in den aart der dingen en omstandigheden. Een gering kreupelbosch, van eenige gemeten, ja van eenige honderde gemeten, kon hun niet te stade komen, in een krijg tegen de Romeinen. Neen. Geheele, dicht beschaduwde, Provincien, met bosschen bezet, gelijk ik daar straks schilderde van Ritthem naar ter Neuzen, moesten aan hen bekend en bereikbaar zijn, wilde zij met hoop op goed gevolg, een bevrijdings oorlog ondernemen. - Zij hadden Landschap op Landschap zien overmeesteren, en de eene Volkstam na de andere het hoofd zien buigen, en ongeacht dit alles hielden zij vol; en dat wel op den uitersten uithoek der Gallische wereld, waar hun niets reste dan onder het zwaard der Romeinen te vallen of door hen in de golven gejogen te worden, tenminsten zoo de na Zeeboezems gelijkende stroomen, van lateren tijd, toen reeds hadden bestaan. Er moeten dus noodwendig hulpmiddelen voor hen in het verschiet gelegen hebben, om hunne koenheid te schragen, en de zucht tot onafhankelijkheid gaande te houden; en de ondervinding heeft bewaarheid dat zij niet te vergeefs daarop gerekend hadden. Caesar moest toen hij hun die hulpmiddelen niet ontwringen kon, zich in het einde bepalen tot het doen van omhakkingen, op zulk een uitgebreide [41] schaal, als er welligt immer een omhakking heeft plaats gehad. En niet zonder reden liet hij zulks verrigten. Hij had te doen met een dapper, en in talrijkheid hem overtreffende vijand; een vijand wiens aantal ongelooflijk moet schijnen aan het nageslacht, dat zijne denkbeelden hieromtrent meestal gevormd heeft naar de berigten van eenzijdige schrijvers, die Zeeland in de 9e of 10e eeuw eerst in het aanzijn laten komen, en vroeger in het zelve niets anders zien dan Schorren en Zandplaten, waaraan het denkbeeld , onbewoond en zonder groeikragt, zich van zelve hecht.

Als wij in het begin van het 2e boek der Gallische oorlogen, eene Belgische Coalitie beschreven vinden, waarin de verschillende Landschappen elkander eenen onderlingen bijstand beloven, met een Leger van niet minder dan driemaal honderdduizend man, door hen bijéén te brengen, en waaraan de Nerviers, Morines en Menapiers alleen 84 duizend man zouden leveren, dan komen er gezelliger denkbeelden in ons op: de barre Schorren verwisselen in lagchende velden, en het gemoed keert terug uit die sombere stemming waarin bevooroordeelde Menschen hetzelve hadden gebragt; men verwijlt dan garen met zijne gedachten bij die menigte, en onder hunne, door de Natuur zelve geplante Looverhutten, in Wouden aan Godsdienst en Huisselijkheid gewijd. - En als naar verloop van eeuwen de omstandigheid ons, in hoedanigheid van toevallige delfstof, een Ligchamelijk overblijfsel van een dier menigten of een voortbrengsel van hunne kunstvlijt of wapendosch, of een stronk of stam, onder welks lommer de voorvallen van hun bedrijvend levend hebben plaats gehad, onder de oogen brengt, dan geniet men gewaar [42] wordingen, die alleen de gevoelvolle kan genieten bij het terugzien van lang vermisten die hem dierbaar waren.

Dit gevoel word in hem niet verwekt door een Vaderland, sedert gisteren uit het zeenat ontstaan, en waaraan geene herinneringen van groote omkeeringen verbonden zijn, die onder het bestuur des Almagtigen, met hetzelve hebben plaats gehad. - Neen. De klove der verwoesting, met de zich daarin bevindende getuigen der eeuwen, zijn de banden die het Vaderland van toen en nu meer inniger aan elkander brengen.

Van hetgeen wij uit latere bevrijdings oorlogen weten kunnen wij heel wel opmaken hoedanig het zich toen zal hebben toegedragen: Scharen van onvergenoegden zullen uit alle oorden en stammen, bij nacht en langs sluipwegen, tot hen gekomen zijn; deze Menschenmassa, geen voornemen hebbende ingesloten korpsen te strijden, maar uit de eene hinderlaag na de andere, de vijanden, zoo zij die op het begeerde terrijn konden krijgen, af te matten en te vernielen, behoefden bij een geschikten grond ook een onbekrompen ruimte, die vonden zij ook gereedelijk in het noorderdeel van Vlaanderen met een groot gedeelte van Zeeland, tot misschien daar, waar het Maaswater door een van deszelfs uitstromingen, of wel de Oosterschelde dat zal hebben belet.

Maar kunnen wij mogelijk uit de handelwijs van Cesar geen ander, daarmede in strijd komend besluit opmaken?

In tegendeel, hetzelve bevestigd het mede in allen deele. Zoo de Westerschelde had bestaan, al was het in een veel minderen staat dan thans of het Zwin [43] in wezen was geweest gelijk wij hetzelve uit de geschiedenis van lateren tijd hebben leeren kennen, hij zou met zijne scheepsmagt de onwilligen wel van achter bedwongen hebben, even goed dan dit het jaar te voren was geschied, daar hem ook hier niet minder dan daar, aan de overmeestering was gelegen. Maar nergens vind men in de aanteekeningen de minste toespeling op Rivieren of uitwateringen aan die zijde des lands, of van een Arcipel van in opkomst zijnde eilanden, hoedanig men Zeeland, in die tijd, veelal doet voorkomen.

Even weinig vinden wij in het gedrag der opstandelingen iets dat aan Rivieren doet denken. Men ziet hen steeds noordwaars trekken, en dit toch wel niet om eenmaal in het water gedreven te worden door de Romeinen, maar meer zeker wijl zich in die rigting een uitgestrekten grond bevond, op welk zij een bevrijdings oorlogg op leven of dood, op hunne wijze, meende te kunnen uitvoeren. Even weinig vind men bij hen gewag gemaakt van Sloepen, Canoes of andere vaartuigen, hoedanig nogtans bij alle Rivieroeverbewoners, hoe weinig beschaafd men die ook mag aantreffen, een hoofdrol in hun oorlogs leven uitmaken.

Uit alle welke redenen, te samen genomen, er naar mijn inzien vrijheid genoeg is om aan het aanwezen der Schelde, benevens dat van het Zwin, in het gegeven tijdperk der Geschiedenis weinig beduidenis te hechten, alszoo dezelve van weinig beteekenis zullen zijn geweest.

Ofschoon ik daar zoo even zeide, de Schelde over 19 eeuwen nog zoo gering was dat ze buiten invloed op de geschiedenis van die tijd bleef, is dezelve nogtans in lateren tijd met de Provincie Zeeland tot zulk een eenzelvigheid gekomen dat men van de eerste sprekende onwillekeurig de laatste daar [44] onder begrijpt, en ook wederkeerig van de laatste de eerste daarbij noemt; ja zelfs dat er een tijd heeft bestaan, waarin, volgens een staatswet, het geheele gewest de naam heeft gedragen van: Departement der Monden van de Schelde.

Om deze, zoo zeer onderscheide, en van elkander afwijkende, toestanden volkomen, en vooral met weinige woorden, op te helderen, daartoe zou aan mij het verstand van den ouden Historieschrijver Herodoot, moeten geschonken zijn. Deze voortreffelijke Griek beschrijft in het 2e boek zijner Historie, de lotgevallen en uitwerking van het Nijlwater op de landen van Egypte, waaruit blijkt dat er met beide Rivieren, Nijl en Schelde, veel omstandigheden plaats hebben die punten van vergelijking tusschen dezelve zouden kunnen aanbieden. Dan deze uiteentezetten zou ons zeker teverafvoeren. Maar ik kan toch niet voorbij gaan te melden dat er sommigen zijn die in het lang voorledene, tusschen Vlaanderen en Holland, anders gezegd tusschen het Zwin en de Maas, een zeeboezem meenen te zien waarin de Zeeuwsche Eilanden van lieverlede zouden zijn opgekomen, door het slijk en andere vaste stoffen, die de Schelde steeds met zich afvoeren, en dat alleen op grond dat andere Rivieren, in hunne monding, dergelijke eilanden door de afgevoerde stoffen hebben gevormd of vergroot. Dan die de uitgestrektheid dier Rivieren, en de landen door welke dezelve vloeijen overweegt, en dan tegen de Schelde en het Vlakke land van Vlaanderen vergelijkt, moet de zaak te belagchelijk voorkomen, om eenige aandacht te verdienen. Een enkele blik, gevestigd op de Rijn, de Donau, de Wolga, de Niagara, de Missisippie, de Nijl, en andere reuzenstroomen van [45] de vier Werelddeelen, moet het bisarre van het denkbeeld dadelijk in het oog doen vallen. De laastgenoemde, de Nijl: Herodotus over deszelfs uitwatering, en het vergrooten der Voorlanden sprekende, het welk hij erkend dat geschied, zegt niettemin daarbij, om voor zich en zijne lezers een zekere maatstaf te vinden: dat zoo de rivier iets oostelijker was afgeweken, en daardoor deszelfs water in de Roode Zee in plaats van nu, in de Middellandsche Zee, had uitgestort, er dan voor die uitgestrekte Rivier nog 20 duizend jaren tijd zou benoodigd geweest zijn, om gemelde Roode Zee of Arabische Zeeboezem, met deszelfs afgevoerde gronden te vullen. Vergelijkt men daar nu mede de Schelde, dan is dezelve bij den Nijl als een droppel aan den emmer.

Wij zullen nu den noordelijke oever der Westerschelde en het land daaraan gelegen verlaten, om, geholpen beide door de Natuur en de Geschiedenis, te zien wat den zuidelijken oever, en eenige uren verder landwaars in, ons aan de hand zullen geven, tot opheldering en staving van het vroeger door ons beweerde.

Om hetgeen ik bewijzen wil zoo duidelijk mogelijk voortestellen, ben ik verpligt bij de Stad Gend, en hare aloude toestand, gepaard aan die der Schelde, eenige tijd op te houden. Ik zal daartoe hoofdzakelijk gebruik maken van de nasporingen door Professor David, in het werk gesteld, en door hem kortgeleden aan het licht gebragt, in een werk getiteld: Recherches sur le Cours primitif de l’Escaut.

De nasporingen van den Heer David, gaan, zoo als het opschrift luid, over den oorspronkelijken loop der Schelde. Daar dit onderzoek een volstrekte vereischte in mijne nasporingen, over het aloude Zeeland, zou moeten uitmaken [46] en het geschrevene door dien Heer, op zulk eene Wetenschappelijke wijze is geschied, die verre buiten het bereik mijner kundigheden gaan, acht ik het beter zijne woorden tot de mijne te maken, met terzijde stelling van al het geen ik van elders mag hebben opgedaan.

Hiermede openlijk hulde brengende aan dien achtingswaardigen geleerde, vind ik mij nogtans verplight de gevolgen te bestrijden, die uit gezegde Historische narigten zijn getrokken, vooral wat aangaat het ontstaan en de legging der Schelde, door Plinius bedoeld, en dezelve gaande weg na te gaan in de onderscheiden tijdperken van haar bestaan, zoo als zich dit alles in de geschiedenis aan mij voordoet, en onder de verschillende vormen en namen waarmede zij bij de Tijdgenoten bekend was.

Daar evenwel dit belangrijk stuk van de heer David, niet afzonderlijk in de handel is, maar alleen in het 16e deel der verhandelingen van de Academie Royaal Belgique, No 2 des Bulletins, is opgenomen, en door eene bijzondere welwillendheid des Professors, daarvan een exemplaar aan mij is verëerd, zal ik het niet telkens aanhalen, daar het toch door weinige Lezers zal kunnen worden nageslagen, maar alleen voor zoover het van dienst mag zijn, kort gevat mededeelen.

“De geschiedenis leert ons dat bij alle groote landverdeelingen in den omtrek der Schelde, die Rivier steeds tot scheidslinie heeft gedient. - Gedurende de heerschappij der Romeinen, scheide zij volgens Plinius, het ander deel van Belgien van Nederduitschland. Na de dood van Clovis (Ao 511) terwijl zijne kinderen het Rijk van hunnen Vader onder zich verdeelde, was de Schelde andermaal die tot grenschscheiding diende tusschen de Koningrijken, later bekend onder de naam van [47] Austrasie en Neustrie. - Eindelijk, tijdens de verdeeling van het Rijk van Karel de Groote, door het verdrag van Verdun (Ao 843) scheide dezelve Rivier Lotharingen, of midden Vrankrijk, toegekend aan Keizer Lotharius van West Vrankrijk, opgedragen aan Karel de Kale. - Dit karakter, om als een scheidslinie te dienen, werd aan gezegde Rivier van af den oorsprong, tot aan deszelfs geheele uitwatering toegekend, en met een uiterste stiptheid gevolgd, zelfs midden door de Steden aan die stroom gelegen en hare beide oevers beslaande.”

“Het is alzoo dat te Kamerijk de regter oever der Rivier de grens was van Lotharingen, terwijl de tegenoverliggende kant Fransch grondgebied uitmaakte, en gewoonlijk behoorde onder het Bisdom van Arras. Even zoo is het ook te Valenciennes, waar de Schelde de landen der Atrebates van die der Nervinen scheide; de Stad aan de eene zijde der Rivier was grondgebied van het Keizerrijk, en maakte een deel uit van het Bisdom van Kamerijk; het andere, Ostrevant genaamt, behoorde aan het Koningrijk, en was het Bisdom van Arras onderhoorig. - Te Doornik nog, was het oude land der Nervinen begrensd door de Schelde, den Bisschop had geen de minste regtsmagt over de Kerk van Sint-Brice, die een Dekenschap uitmaakte van het Bisdom van Kamerijk; terwijl het gedeelte der stad, aan den anderen oever der Rivier gelegen, land der Menapiers was, aan Frankrijk behoorde, en ondergeschikt aan den Bisschop van dat gewest. - Eindelijk te Oudenaarde, de helft der Stad gelegen op de regter oever der Schelde, vormde de Heerlijkheid Pamele in het oude Brabant, en was ondergeschikt aan den Bisschop van Kamerijk; de andere [48] helft, gesticht op den linker oever, maakte een gedeelte uit der Burgvoogdij en behoorde Vlaanderen.”

“Men ziet hier uit, de Schelde vormde een scherp gebakende grenslijn, zelfs ter plaatse waar zij naauwelijks bevaarbaar was, hoeveel te meer moest zij, en was zij dit ook beneden Oudenaarden, waar de stroom, in een steeds verwijdend bed, haren loop vervolgende, een meer aanwassend gewigt als natuurlijke grens verkrijgd.”

“Ondertusschen, op vijf uren meer benedenwaars, te weten te Gend, zien wij in de 10e eeuw haar karakter als scheidslinie verliezen, en de landen aan wederzijdsche oevers gelegen, onder dezelve Leenheerschappij opgenomen. Men weet met der daad, dat het geheele land van Waas, en verscheide Kantons ten noordwesten van Gend, geen deel uitmaakte van het Graafschap van Vlaanderen, welk Graafschap een Leen was van de Kroon van Vrankrijk, maar gezamentlijk met het Land van Aalst een Heerlijkheid uitmaakte, bekend onder de naam van Keizerlijk Vlaanderen, wijl hetzelve van het Keizerrijk afhankelijk was.”

“Vele schrijvers, door deze omstandigheid met de zaak verlegen, meenen dat er den een of anderen tijd van overweldiging van den kant des Keizers, op het grondgebied des Konings van Vrankrijk is geschied; maar de Heer David werderlegd dat denkbeeld op zulke wetenschappelijke gronden, dat ieder daaraan gereedelijk zijne toestemming moet geven. Hij steld daar en tegen eene geheel andere meening over, namelijk dat de Schelde in de 10e eeuw zelve van loop zal zijn veranderd en haar water door de een of ander natuurlijke oorzaak van cours zal zijn gewisseld, hoewel geen geschreven oorkonden ons hiervan onderrigten.”

[49] Ik moet hier nogtans in het midden brengen dat deze verwisseling van stroom niet kan hebben plaats gehad in de 10e eeuw, maar reeds vele honderde jaren vroeger moet zijn geschied, zoo dezelve immer gebeurd is? daar Cesar, in het door mij hiervoren aangehaalde 6e boek aanteekend, dat hij met zijne Ruiterbenden oostelijk afzwenkte, om de uitwatering der Schelde te bereiken, namelijk daar zij in de Maas vloeit. Hij kan zich toen opgehouden hebben op de hoogte van Steenbergen, de Willemstad, of in oud Beijerland, want daar zijne komst aldaar, de groote doorbraak van den Zuid-Hollandschen Waard (Ao 1423) lang voorafging, en den Biesbosch, door die doorbraak geschapen, toen nog geen aanwezen had, zal het land van Strijen meer inniger met Noordbraband vereenigd zijn geweest, en de Polders die tans tot het land van Putten en nieuw Beijerland uitmaken, en eene vereeniging daarstellen tusschen het land van Voorn en dat van Strijen, zullen toen nog geen beletsel in den weg gelegd hebben, om het water der Schelde, voor een deel, met dat der Maas te vereenigen.

Het blijkt alzoo duidelijk dat men aan geen verwisseling van stroom in de 10e eeuw moet denken, daar de Schelde, volgens dit berigt reeds meer dan 50 jaren voor het begin der eerste eeuw, eene oostelijke uitweg bezat, die wel eene verwijdering daarstelde tusschen twee gedeelten van hetzelve gebied, maar geensins als eene grensscheiding is begrepen bij groote Landverdeelingen; men is alzoo als vanzelve verpligt naar eenen anderen uitweg om te zien, die meer aan het herkende karakter der Schelde, van als scheidslinie te kunnen dienen, kan voldoen.

Het nadrukkelijk gezegde: Daar zij in de Maas Vloeit, kweekt vanzelve de gedachte dat er buiten dien uitleg nog eene [50] andere monding, die niet in de Maas vloeide, gelijktijdig met dezelve moet hebben bestaan. Deze uitwateringen kunnen beide gelijktijdig met de vorming der Rivier zijn ontstaan, of achtereenvolgend afzonderlijk vorming hebben gekregen; immers de kennis aan de Boschrijke en tevens vlakke en moerigen bodem van Vlaanderen, gelijk ik die hiervoren bij den inval der Romeinen deed kennen, blijft ons borg genoeg voor de mogelijkheid daarvan, maar teven ook dat geringe oorzaken groote veranderingen in de oppervlakte des Lands hebben kunnen bewerken, die later op hunne beurt weder de kiem konden zijn van onnagaanbare omkeeringen en vreesselijke rampen. - Maar wat er gebeurt mag zijn, de geschiedenis daarvan kan niet betrokken worden tot de 10e eeuw, maar moet reeds lang voor den inval der Romeinen hebben plaats gehad.

Het bepaalde gezegde: Daar zij in de Maas vloeit, duid stellig genoeg de plaats der ééne uitwatering aan, en de geest en beduidenis die uit die woorden spreekt, laat geen twijffel over of er bestond, gelijktijdig met dezelve, nog een andere tot het zelve doel.

Wij willen nu verder zien wat de geschiedenis ons ten opzigte der plaats van die andere, vooralsnog onbekende, uitwatering aan de hand geeft, en volgen daarin weder de aanwijzingen van den Heer David.

“In de oudste narigten van Gend, vind men die stad meest aangeduid met de naam van Port de Gand, haven van Gend; dit zou zeker niet zoo geweest zijn, zoo dezelve niet digt bij de zee gelegen was geweest, of voor het minst een gemakkelijke en korte weg daartoe had bezeten.”

“Tot bewijs dat Port de Gand, niet eenvoudig Stad Gend beteekend, maar daardoor wel degelijk Zeestad, Zeehaven [51] moet verstaan worden, haald gemelde Heer David een Giftbrief aan van Graaf Arnold de Oude van Ao 939 waar in gezegde Graaf aan de Abtdij van St. Pieter, de schatting terug geeft, welke werd verkregen uit de verblijf of legplaatsen der schepen welke zich in de haven van Gend bevinden. - Verder eene diergelijke Giftbrief van Ao 941 van Transmare, Bisschop van Doornik, waarbij hij de Kerk van den Heiligen Johannis den Dooper, die hij gewijd heeft, schenkt aan Gerard, Abt van St: Pieter, en daarboven alle de verblijfplaatsen in de Haven van Gend, met deszelfs schatting en alle hare tienden.” - En wat verder, in dienzelfden brief: “ook geheel de omgording van af de haven van Gend tot aan de Schelde.” Het komt mij voor dat deze uitdrukking bepaaldelijk aan eene buiten en binnenhaven doet denken, temeer daar bij de Magtbrief van 20 Augustus Ao 950 “Louis
d’Outremer
, de bezittingen der zelfde Abtdij bekrachtigende, onder anderen zegt: de verblijfplaatsen die gelegen zijn in de haven van Gend, en wat verder: De wijnberg of ook anders het Klooster, en het land hetwelk aldaar aanligt, tot aan de Haven van Gend toe.” Wij worden hier duidelijk, in verband met het vorige, op een kanaal of buitenhave gewezen; en welks oorsprong of verdere bestemming daarvan ook mag geweest zijn, zich in dezen doet kennen als een waterweg, bij uitnemendheid aan Gend toegekend, en waarvan de oevers voor een gedeelte landwaars in, onder hetzelve gebied met de Stad zich bevonden. - Dit wordt nog duidelijker door een Brief van Ao 967, “waarin Koning Lotharius, mede de eigendommen der Abtdij verzekerend, zegt: wij echter bevestigen die toevoegselen, alle verblijfplaatsen aan de [52] overzijde der Lijs (Legia) van de haven van Gend. Sanderus bevestigd mede dat de Schrijvers der Middeleeuwen dikwijls de naam: Haven van Belgien, haven der Morinen, voor Gend bezigde.”

Wij zien uit de aangevoerde documenten van Ao 939, 941, 950 en 967, dat Gend in de 10e eeuw door middel van een kanaal, in eene naauwe verbinding met de zee was, en wel zoodanig dat de Stad daardoor als een aan de zee zelve gelegen plaats genoemd en behandeld werd; en hoewel deze waterweg toen al in een staat van verval zal hebben verkeerd, gelijk de uitkomst later heeft doen blijken, zoo was zij, eene eeuw vroeger, nogtans in zulk een algemeen erkende en bloeijende toestand als men van een zeehaven van dien tijd, gelegen aan eene ondiepe Rivier, met een gering stroomvermogen, wegens de vlakte van het land, verwachten kon. Immers, toen Karel de Groote, een Vloot deed uitrusten, om de Noordmannen daarmede in hunne rooverijen te beteugelen, ging hij in 811 naar Bologne om een gedeelte der schepen in oogenschouw te nemen; reisde vervolgens overland tot hij bij de Schelde kwam, aan de Plaats Gend genaamd, om daar het ander deel der Schepen te zien, die mede een deel der Vloot zouden uitmaken. Nu zal men van een vorst als Karel de Groote, wel kunnen verwagten, dat hij geen plaats tot het aanbouwen zijner schepen zou uitkiezen, die wanneer dezelve gereed waren, een weg van meer van dertig uren zouden moeten afleggen om in het ruime sop te komen, tenminsten zoo zij in dien tijd ook verpligt waren geweest de Schelde af te zakken voorbij Antwerpen, en verder langst de Oosterschelde en de Roompot tot in zee.

Aan andere kanalen, die toen misschien Gend met de [53] Westerschelde zouden kunnen verbonden hebben, behoeft men niet te denken, om de eenvoudige reden dat de Westerschelde zelve nog als geen bevaarbaar Kanaal bestond, en aller waarschijnelijks in Ao 811 in het geheel nog geen aanwezen had, dan alleen in de gedaante van eene binnenlandsche Waterplas, door opperlandwater gevormd, en bekend onder de naam van Honte.

Met meer grond van zekerheid kan men eenen anderen Waterweg stellen die vanaf Gend, westelijk op, in het Zwin liep, of door een eigenmonding, in de nabijheid van het Zwin, dadelijk in zee storte. Beide uitwateringen kunnen, afgescheiden of vereenigd, in de onderscheide tijdperken van hun bestaan, waar geweest zijn; maar het is zeker dat de Noordmannen, met die toestanden bekend, daarvan eene voordeelige partij voor hunne strooptogten hebben getrokken, want langs dezelve konden zij in 5 of 6 uren tijds uit de Noordzee in de binnenhaven van Gend komen. Eenige historische bewijzen ten dien opzigte, willen wij uit de Recherches van de Heer David mededeelen.

“Na de dood van Karel de Groote, en vooral na die van Baudouin met den ijzeren arm, toen de Noordmannen bijna onophoudelijk de kusten van Vlaanderen verontruste, was Gend voor hun de schuilplaats: Het was daar dat zij hunne schepen konden herstellen, daar waar zij de winter doorbragten, of hun verblijf lengde, om vervolgens hunne strooptogten weer te hervatten en zich op andere landen te werpen. Er is hier aan geen dubbelzinnigheid te denken, de Kronijkschrijvers zijn veel te duidelijk. De Jaarboeken van St: Vast berigten dat in de maand November Ao 879 de Noordmannen zich op Gend rigte om er den winter [54] door te brengen. In 880 keerde een Leger Heidenen van Engeland op onze kusten en verbleven een geheel jaar in Gend. Het was daar dat zij hun verblijf hielden toen Carloman en Louis III van Altignij vertrokken en in Bourgogne keerde, krijgsvolk zonden om hun Rijk te beschermen tegen de invallen der Barbaren. In Ao 881 deden zij een overweldigende inval in Frankrijk, en drongen door tot in Beauvoisis, hetwelk zij aan plundering en verwoesting prijsgaven; zich daarna met buit beladen, zeewaards terugtrokken. Koning Louis trok tegen hen op, en achterhaalde hen in het Vimeuxsche. Daar, dicht bij Drancourt, tusschen Abeville en St. Varely, leverde hij hun een geregelde slag en behaalde eene groote overwinning. De Noordmannen namen de vlugt, scheepte zich met overhaasting in, en keerde naar Gend weder, om hunne schepen te herstellen, en ondernamen, voor het einde van het jaar, weder nieuwe togten.”

Men leze van dit treffen meer omstandig: Bolhuis, de Noordmannen in Nederland, pag 134 en 135. Doch min nauwkeurig word daar gezegd: “meer dan 5000 Vijanden, waaronder veel aanzienelijken, sneuvelden; de overige verschanste zich naar gewoonte in een nabij staand gebouw.” Of het een gewoonte is, dat het gros van een Leger, waarvan wel 5000 man verslagen zijn, doch waarvan het overige nog talrijk genoeg is om ontzag in te boezemen, zich in een nabij staand gebouw verschanst, betwijffel ik. Meer overeenkomstig de krijgsregelen trekt een geslagen Leger zich terug in de rigting van deszelfs Magazijnen en voorraad plaatsen, en dat was hier Gend. De latijnsche woorden, tusschen twee haakjes gesteld (fisco regio) zijn voor eene diergelijke uitlegging vatbaar: fisco schatkist, bewaarplaats van kostbaarheden, en regio streeklijn, hetwelk men in ieder Latijnsch-Nederd woorden [55] boek kan nazien.

“Men ziet, overwinnend of geslagen, het is te Gend dat zij een schuilplaats zoeken; waarbij zij zich herstellen, hunnen buit bijéén brengen, hunne wonden heelen, hunne strijdkragten van nieuws organiseren. - Maar zou de voorkeur voor die Stad ons wel begrijpelijk wezen, in den toestand waarin zij zich thans bevind, en waarin zij niets kan aanbieden dat haar tot voorrang zou kunnen doen strekken in den krijg van Zeeschuimers?”

“Zoo de Noormannen, in het terugkeeren van de Fransche of Engelsche kusten, verpligt waren geweest, Vlaanderen rond te steven, en de Schelde 30 uren verlandwaars in op te varen, om te Gend te komen, zouden zij dan, bij voorkeur, zich niet liever op een der Zeeuwsche Eilanden genesteld hebben, waar zij geene verrassing hadden te duchten, en waar hunnen aftogt altijd verzekerd was? Deze tegenwerpingen schijnen mij onoplosbaar. Doch in tegendeel alles verklaard en bevestigd zich, zoo men toestemd dat de Schelde in de 9e eeuw nog stroomde in de rigting die Keizer Otto later aan zijn kanaal gaf, dat uitwaterde in de Hont bij Biervliet.”

De laatste bepaling, dat het kanaal, dat Keizer Otto heeft doen graven, bij Biervliet, in de Honte uitwaterde daarvan laat ik het bewijs voor rekening van den Schrijver. Met mijn denkbeeld aangaande de Geregte diepte is het in strijd.

Het tot hier toe bijgebragte is genoegzaam om te doen zien dat 53 jaar voor Christus, in het tegenwoordig Vlaanderen een Rivier bestond, het zij dan van veel of weinig beduidenis, die bij de Stad Gend zich in twee takken splitste. - Gezegde Rivier stroomde, van af deszelfs ontstaan tot aan ter opgenoemde plaats, in een vrij regte rigting, van het zuiden [56] naar het noorden, doch daar gekomen ontmoete dezelve, noordwaars op, een eenigsins hooger gelegen Landstreek, later bekend onder den naam van Keizerlijk- en Staats-Vlaanderen. De natuur dwong haar daardoor uittewijken, en de Rivier gehoorzaamde, door zich in twee takken te splitsen. De tijd wanneer dit heeft plaats gehad zal wel altijd onder de onzekerheid blijven behooren; maar aan een stroomverwisseling in de 10e eeuw behoefd men niet te denken; een straks nog bij te brengen getuige uit de 2e eeuw, zal dit, naar mijn inzien, mede genoegzaam helpen bewijzen.

Bij die splitsing besproeide de oostelijke arm het Land van Waas; nam het water van den Dender en de Rupel met al haar aanverwante takken van de Dijle, de Senne, de beide Nethen en meer andere met zich voort; vloeide voorbij Antwerpen, scheide Zeeland en Braband van een, en ontlaste zich in de Maas, ter plaatse waar Cesar zich volgens zijne Aanteekeningen heeft bevonden. Gelijktijdig daarmede bestond ook dat gedeelte, dat westelijk op, zich in zee uitstorte; en ten noorden Zeeland en ten zuiden Vlaanderen, regts en links van zich afliet. Door deze ligging was gezegde westelijke tak der Schelde, de best geschikte en eenig bedoelde om tot scheidslinie te kunnen dienen tusschen de vroeger genoemde Landstreken van het Keizerrijk, en die van het Fransch gebied.

Om tot gemak zich dit te verduidelijken, en den Oostelijken loop der Schelde, met de vermoedelijke standplaats van Cesar meer aanschouwelijk te maken, zijn twee kaarten uitnemend geschikt; de eene is getiteld: Kaart der Catholijke Nederlanden verdeeld onder de Koningen van Frankrijk, Spanje en de Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden, door H. Jaillot, waarop de Schelde, de Dender, de Rupel, de Senne en de beide

[los velletje] Caesar aan de Maas pag 37 en vooral pag 49. Kaarten tot verduidelijking hier van zijn getiteld: Kaart van Delft en Schieland met de Eilanden Voorn, overFlakké, Goedereede en IJsselmonde door Nicolaas Visscher, zijnde No 45 van mijn verzamelden Atlas voor Nederl. en Belgie en de kusten der Noordzee. No 44 kan tot hetzelve einde ook dienen. - ook is de Nieuwe Landkaart van het Graafschap Zeeland uitgegeven bij J. Meertens te Middelburg 1663 ook goed. - Deze kaart vind men in Smallegange en een exemplaar in Portefeuille Zeeland No 1.

[57] Nethen, in hun geheel zijn opgenomen, met aanwijzing der hooger gelegen landen waaruit die Rivieren hun oorsprong nemen en haar loop bepaald word.
            De andere is genaamd : Kaart van Delft, Schieland met de Eilanden Voorn, over Flakké, Goedereede en IJsselmonde, door Nicolaas Visscher.
            Van den Westelijken tak zijn ons geen omstandige nog aaneengeschakelde berigten bekend, even weinig als Kaarten die buiten tegenspraak zijn; alleen een oordeelkundig onderzoek, en schikking der verspreid leggende, en tot hier toe onopgemerkte, echte fragmenten; met terzijde schuiving van veel van dat geen wat vroeger door menigvuldig naschrijven, en het aanzien der Schrijvers, autoriteit en waarde had verkregen, kan ons alleen te stade komen.
            Intusschen zij het hier gezegd, er moet met dien Westelijken tak veel omstandigheden hebben plaats gehad, die te samen instaat zijn geweest, het denkbeeld van zooveele geschiedschrijvers in de war te brengen. Wij willen in plaats daarvan, onze nasporingen en opmerkingen die wij bij het doorbladeren van oude documenten en geschiedboeken hebben aangeteekend, daartegen overstellen, ten einde zoo mogelijk het een en ander te vereffenen.
            Uit het Romeinsche tijdvak is ons door Caesar bekend geworden dat de Schelde bestond en door meer als één arm haar water ontlaste. Dat dit slechts door twee armen is kunnen geschieden, daarvoor blijft de Natuur van den hooger gelegen grond ten noorden en noordwesten van Gend ons borg. Deze borg is ons genoeg daar dezelve uit de Natuur genomen is. Meer bijzonderheden aangaande de bedoelde tak, zijn ons door de schrijvers uit dat tijdvak niet bekend geworden, even weinig als dat zij iets vermelden aangaande Zeeland, en de Zeeuwsche Eilanden, ten minsten niet in dien geest gelijk wij tegenwoordig [58] ons Zeeland voorstellen en kennen. Wel spreken zij natuurlijk over hetzelfde terrein, daar dit toen als een reeds gevormde grond even zoo wel als nu bestond; en van hunne krijgsverrigtingen op hetzelve uitgevoerd, maar in bewoordingen die door het Nageslacht niet wel begrepen zijn.
            Alles komt slechts op eene goede lezing aan.
            Caesar, in het 6e boek over de vlugt zijner vijanden sprekende, zegt: “Of Ambiroux zijne strijdmagt met voordracht niet in het veld heeft gebragt, omdat hij zich bezwaard vond om voor de vuist te vechten, dan of hij door de tijd is verrast, en door de schielijke aankomst onzer Ruiterbenden, daarin is verhindert geweest, en in den waan verkeerde dat er nog grooter gros van Leger volgen zou is mij altijd donker gebleven. Maar zeker is het dat hij (Ambiroux) heimelijk boden naar de Akkers zond met bevel dat ieder zich te bergen had; velen vlugten daarop in het Arduenner bosch, en anderen in de nabijgelegen Moeren. Die den Oceaan het naast waren, borgen zich op de Eilanden die de Vloeden gewoon zijn te maken.”
            Hier heeft men in een korte schets eene duidelijke voorstelling van het Vlaanderen en Zeeland van dien tijd.
            Een uitgestrekt woud, waarin bij afwisseling Bosschen en Bosschaadje met Heidevelden zich bevonden; in lager leggende gedeelten Moeren en Moerassen, en door dit alles heen verspreid, op geschikten grond, Bewalde Akkers, waarop de Landzaat, door geregelde en kunstmatige akkerbouw en veeteeld, zich dat alles tot levensbehoeften aankweekte, waarin Bosch en Heidevelden voor hem te kort schoten.
            Naar de bewoners dier Bewalde Akkers was het dat Ambiorix geschikte boden uitzond, die met alle toegangen en sluipwegen, door het onherbergzame heen, best bekend [59] waren. Op den ontvang dezer berigten zocht iedereen een veilig heenkomen. Die met hunne bewalde Akkers het naast aan den Oceaan, en dus het laagste gedeelte van het land, gelegen waren, vlugte tijdelijk naar wel min gunstiger oorden, maar die voor het oogenblik meer veiligheid aanboden, het waren de Eilanden die door de Vloeden gemaakt werden.
            Wanneer in regentijden het Water te schielijk en overvloedig van hoogere streken afkomt, en den omtrek in deszelfs lagere partijen blank zet, dan vertoonen de hoogere gedeelten zich als afzonderlijke eilanden, die moeilijk, vooral voor Ruiterij, te naderen zijn; maar naar langdurige droogte, wanneer het water is gezonken, en door de zandige duin oevers weggefilterd, dan vertoond zich weer alles gelijksoortig heideveld.
            Deze soort van toevallige Eilanden moeten wel onderscheiden worden, door zulke Eilanden, Schorren en Zandplaten die door de Eb gevormd worden, en met de Vloed gewoonlijk geheel onderraken; deze zijn geen geschikten oord van toevlugt voor Menschen, om daar eenigen tijd op te verblijven en zijn ook nimmer door Caesar bedoeld. Dat dezelve door het verre Nageslacht, uit onkunde aan den vroegeren toestand, en geholpen door vooroordeel en eene schijnbare overeenkomst van namen, met die van latere, en aan ons bekende toestanden, de zaak zich dus averegts hebben voorgesteld, is buiten zijn schuld. -Wanneer nu deze verkeerde voorstellingen eenmaal hebben post gevat, en nog steeds steun vinden in soms los daarneder geschreven uitdrukkingen, door Mannen van naam, dan valt het voor den onderzoeker van mindere rang nog moeijelijker voor zichzelve de waarheid te vinden, en tevens geloof daarvoor bij anderen te erlangen. [60] om uit velen slechts een te noemen: De Markies de St: Simon, die alle autoriteit bezit, en onvoorbeeldig veel geleverd heeft aangaande de oorlog der Romeinen met de Batavieren, schijnt met het terrein bewesten de Maas, en met de gebeurtenissen daarop voorgevallen, bepaaldelijk omtrent de Schelde, minder bekend te zijn geweest, dan hij zulks was ten aanzien van den Rijn en beoosten de Maas, ten minsten betuigd hij zijne verwondering dat op de oudste kaarten vervaardigd volgens de opgaaf van Ptolomeus, de Zeeuwsche Eilanden niet voorkomen, en voegt er in een adem bij: “Quoique elle fussent déja très-connues et très-peuplées avant Ptolomée.” Zulk een in het oog springend verschil tusschen de geboekte daadzaak van een tijdgenoot, en zijne bijna logenstraffende gezegden daarover, had naar mijn gevoelen wel door eenige regelen mogen worden toegeligt, om daar mede zijn verwondering en uitspraak te regtvaardigen; dit nu zoo niet zijnde, komt het mij als te loszinnig geschreven voor, om gezag te verdienen.
            Een ander bewijs, tot staving van mijn gezegde, dat de Markies, minder bekend scheen te zijn met de toestand en de gebeurtenissen ten westen de Maas, dan met die ten oosten, en vooral met die van het door hem zoo hoog verhemelde Eiland der Batavieren, is het volgende: Op de zesde of laatste kaart van zijn prachtig in Atlas formaat uitgegeven werk, noemt hij onder de Zeeuwsche Eilanden ook het eiland Schoonevelt op, en teekend daarbij ter zijde aan: “Tans door de zee overspoeld, maar in de 17e eeuw bestond het nog met eene goede haven, waarin den Admiraal Tromp de schepen zijner vloot verzamelde.” De Schrijver heeft hier zeker de gebeurtenissen van 1673 op het oog, toen de Nederlandsche Vloot verscheiden male met de Vereenigde Fransche en [61] Engelsche vloot slaags is geweest. - Het was niet alleen Kornelis Tromp, maar ook den Admiraal de Ruiter, die in dat jaar meermalen, naar het eindigen van een gevecht of tot verpozing van het zelve, de wijk op Schooneveld namen. Brand zegt: “Men had den Vijand wel niet veel schepen benomen of onbruikbaar gemaakt, maar dat veel meer is hen uit de zee geslagen. Daar en tegen bleven de Nederlanders in zee, zonder binnen te loopen, en zij begaven zich weer op hun oude post, op Schoonevelt.” En wat later: “Tegen den avond, omtrent vijf uren kwam ’s Lands Vloot weer op Schoonevelt ten anker, zoo dat Westkappel omtrent drie en een halve mijl oost ten zuiden van haar lag.”
            Wagenaar teekend op Ao 1616 aan dat de Engelschen mede van Schoonevelt gebruikt hebben gemaakt. En op 1673 spreekt hij onderscheide malen van Schoonevelt, als rustplaats van ’s Lands Vloot.
            Die bij zulke duidelijke berigten een ankerplaats buitengats, in de opene zee, nog voor een Stad of Zeehaven kan aanzien, moet wel zeer oppervlakkig lezen, of sterk met zijn vooraf gekoesterd denkbeeld ingenomen zijn.
            Het ontbreekt ons niet aan Schrijvers, en daaronder oude, die ons meer van Schoonevelt verhalen, dit had St. Simon kunnen weten. Montanus zegt: “voor die wieling het Eiland Coesant lag; noord west, wat hooger op, die Heerlijkheid Schoonevelt, doen ter tijd (voor Ao 1181) een Stad, en ten tijde van Graaf Guy van Dampiere, een Kerk, Kasteel, Huis van plaisance, welker Sarksteenen van oude Sepulturen nog ter Sluijs zijn. Maar nu met al de Waterduinen overloopen is, die de Dullaert en de Hont daarover spelende.”
            Men kan het openbaar politiek leven van Guy de Dampire begonnen stellen met Ao 1245, en zijn sterfdag 7 Maart 1305. [62] Dresselhuis schrijft: “Dit Distrikt moet bij deze gelegenheid veel verloren hebben, en zoo Scoeneveld (welks naam nog aan de N.O. zijde der Rassen, tusschen de monden der Schelde word aangetroffen) immer een stad en heerlijkheid geweest is, zou deze plaats toen haren luister wel hebben kunnen verliezen. Volgens Montanus toch was er, ten tijde van Guy van Dampiere alleen nog een Eiland met een kerk, kasteel en huis van plaisance, welke met elkander door een der volgende zware vloeden, voor 1377, in de diepte ter neder gestort werden. Voor dat de St. Janskerk te Sluis een prooi der vlammen werd, zag men nog in dezelve de Graftombe van Thomas van Scoeneveld fs Willem van Scoeneveld overleden den 7 Julij 1417,waarop hij en zijne huisvrouw in blauw arduin waren afgebeeld.”
            Het zij men die Graftombe en Sarksteenen, bij het langsaam vergaan van Schooneveld, successivelijk naar Sluis heeft overgebragt, of daar voor het Adelijk geslacht van dien naam, naar het geheel verdwijnen dier Heerlijkheid, van nieuws heeft gemaakt, zooveel is zeker dat ten tijde van Tromp, dit eiland sins eeuwen van het toneel was verdwenen, en in een watervlakte herschapen.
            Na dus lang hierbij te hebben stilgestaan, wil ik tot schraging van mijn gevoelen, den Lezer een andere getuige presenteren, uit de 2e eeuw, het is Claudius Ptolomeus, van wien zoo even, bij de aanhaling van het werk van den Markies de St. Simon is gesproken. Deze beroemde Aardrijkskundige, die in het midden der tweede eeuw heeft gebloeid, schreef in het Grieks een boek over de Aardrijkskunde, dat altijd als het beste en bruikbaarste in dat vak, bij het beoeffenen der oude Geschiedenis [63] beschouwd is. Hij heeft geen kaarten bij zijn werk gevoegd, maar duid de Plaatsen en Rivieren bij hunne legging van breedte en lengte graden aan. De Kaarten op diens naam verspreid zijn van lateren tijd, en door anderen, volgens zijne beschrijving ontworpen. Dat er dus veel gebrekkigs vooral in de eerste en oudste moet zijn, is natuurlijk en wel te begrijpen. Deze Ptolomeus spreekt van geen Zeeuwsche Eilanden, nog van een Wester- of Ooster Schelde, maar plaast een Rivier, die hij Fabuda noemt op 23 graden 30 minuten lengte en 53 graden 30 minuten breedte; hij spreekt alleen van deszelfs mond of uitwatering, die hij in rang van opvolging langs de kust der Noordzee, doet voorkomen tusschen Bologne en de Maasmond.
            Hier heeft men nu twee Schrijvers die, oppervlakkig gezien, elkander tegen spreken, of voor het minst twee verschillende zaken op het oog hebben en beschrijven. De eerste Caesar, die 50 jaar voor onse tijdrekeng schreef. - De tweede Ptolomeus, die dit 150 jaren naar het begin dier tijdrekening deed, en alzoo een tijdverloop van 200 jaren onderling hadden. Doch bij eenig nadenken valt het niet moeilijk zich te overtuigen dat zij beiden één en dezelfde Rivier bedoelde, en dat men geen toevlugt behoefd te nemen tot het onderling verschil van 200 jaren, en van de mogelijke verandering die in dat tijdperk met het terrein kon hebben plaats gehad.
            De eerste schreef als Veldheer, en had daarbij niets anders op het oog dan zijn Krijgsoperatien te vermelden; het noemen van Landen of plaatsen was daarbij slechts eene noodwendige toevalligheid, en ging niet verder dan die met zijne marschen in verband stonden. Indien hij, gelijktijdig bij zijn oostelijk afzwenken, ook eene afdeeling ten westen gezonden had, dan zou hij zeker zoo […] in dier voege geschreven hebben: Eene andere afdeeling zond [64] ik, onder aanvoering van deze of die, ten Westen, langs dat gedeelte der Schelde dat door de Ingezetenen de Fabuda genoemt wordt, en in de Brittannische zee uitvloeit.
            De tweede schreef als Aardrijkskundige en had voornamelijk ten doel, in het belang der zeevaart, en het onderling verkeer der volken, de mondingen der Rivieren, daar waar zij in zee uitstroomden, bekend te maken en zoo nauwkeurig doenlijk te bepalen. Daar hij dit, volgens zijn algemeen plan, in lengte en breedte graden deed, viel van zelf alle verdere strekking dan de monding der Rivieren, benevens de vertakking derzelve, buiten zijne aandacht.
            Het was hem niet noodig te zeggen dat de Fabuda een verlenging van de Schelde ten westen was, daar de Schelde, als een binnenlandsch gelegen water, evenmin als de Rupel of de Dender, in zijn beschrijvingsplan lag opgesloten. Hij sprong dierhalve van de Fabuda dadelijk op de wijde mond der Maas, als die in zich de uitstroming bevatte van zooveel andere binnenlandsch gelegen wateren. En zoo ziet men, wel ver van elkander tegen te spreken, naar een verloop van 200 jaar, dat gene door den laatsten, zonder opzet bevestigd en Geographisch toegeligt, wat in het zeggen des eersten stilzwijgend lag opgesloten.
            Sanderus, in zijn Verheerlijkt Vlaanderen, over de groote Rivieren sprekende, zegt van de Schelde: Eindelijk nog eenige mijlen wegs afgelegd en de zoutigheid der zee aangenomen hebbende, verdeeld zich in twee takken, de Ooster- en Wester-Schelde en stort zich door twee monden in den oceaan; wordende voor het overige gelijk Geropius Becanus en andere Schrijvers verzekeren, bij Ptolomeus Fabuda genaamt.”
Hier ziet men dat Sanderus op het zeggen van [tekst verder afgebroken]

Transcriptie J. de la Hayze

 

Gerelateerd

Zwerftochtjes op het gebied der oudheid

Hs 5124

Kaart van Zeeland rond 1230

ZI-I-985

Gerelateerd

Maximilien Henri markies de Saint-Simon

Jacob Ehrlich

G1596

Gerelateerde dossiers

Journaal van mijn reis door Vrankrijk

Een reisje door Duitsland in 1862

Bericht uit het leger van Napoleon (1)

Bericht uit het leger van Napoleon (2)

Herinnering aan Mr. S. de Wind

Napoleon in Middelburg en Domburg in mei 1810

Wat vermag een vrouw

Beterschap

In dienst van de Garde Impériale

Een reisje naar Axel

Proeven met stinkhout

Brief uit Parijs

Reisje over de Surinamerivier in 1816

Londen in 1790/1791

Semen sabadillies

Vier Romeinse oudheden

Plunderingen in Middelburg in 1787

Kort Verhaal van een geweldig oproer voorgevallen binnen Middelburg in Zeeland van Vrijdag 29 junij

Journaal, gehouden op eene reis van Rotterdam naar Batavia en terug, met het Fregatschip Soerabaya,

Advies betreffende overspel van een predikant rond 1755

Dagboek Maria Johanna Schorer-van de Putte

Strafexpeditie naar de westkust van Guinea 1869

Twee zeldzame voorwerpen

Inzet van Europeanen als arbeiders in Suriname

De invasie van het Mogolse rijk in 1738

Verslag van beschietingen bij Aardenburg van 1 mei 1794 tot 13 januari 1795

Verzuchting van een afgewezen kandidaat

IJsvermaak in Kortgene

Castra Herculis of Witlam?

Fietstocht in Zeeland

Kort berigt van het beroemd Eijland Taiowan

Bezoek koning Willem III aan het Zeeuwsch Genootschap in 1862

Jan Wier als bestrijder van het bijgeloof