Dossier: Goud & tranen

Maria Johanna van de Putte (Middelburg 1698-1764) is als dochter uit gefortuneerde handelsgeslachten, echtgenote van een hoge ambtenaar en moeder van meerdere veelbelovende zonen, het archetype van de achttiende-eeuwse vrouw binnen de elite van Zeeland. Diepgelovig en meer dan welgesteld leidt zij het comfortabele leven dat weinigen gegeven is, maar ook haar is geen leed bespaard gebleven.

Geboren in 1698 als de jongst overgebleven dochter van haar ouders, groeit zij op in en om Middelburg; het gezinsleven pendelend tussen het stadshuis van haar familie in de Langeviele en het op een steenworp, buiten de veste, gelegen buitenhuis ‘De Griffioen’. Haar vader Hermanus van de Putte, aanvankelijk succesvol in de lakenhandel - het familiebedrijf van vier generaties - is zich in een vrijwel doorlopende oorlogstijd breder gaan oriënteren (in de buskruit industrie en in de rederij van de kaapvaart), waarmee hij groter fortuin maakt. Haar moeder Maria van den Brande komt uit een familie van ouder statuur; een zeventiende-eeuwse mengeling van magistraten, kooplieden en predikanten.

Maria van den Brande, part. coll., foto RKDSlechts drie jaar oud verliest zij haar moeder. Maria van den Brande overlijdt in 1702, ver van huis in s-Hertogenbosch waar zij dan voor borstkanker onder behandeling is van een arts. Afgezien van een fraai portret zal Maria weinig herinnering hebben gehad aan haar moeder. Haar vader hertrouwt (zijn derde huwelijk) in 1711, haar stiefmoeder wordt Elisabeth Vincentius.

Omringd door welstand, de kunsten en wetenschappen groeit Maria op tot een zelfbewuste vrouw, die heel wel in staat is haar aanzoekers op armlengte te houden. Hierop zinspeelt haar achterneef Pieter de la Rue in 1718: ‘De Jongkvrouw, die de min voorheen, / Als iet onwaardigs, schuwde en vluchtte, / En voor verliefde minnaars beën, / als voor Sirenezangen, duchtte, / en schamperspottende de magt / der liefdepylen heeft veracht.’

Toch zal Maria uiteindelijk toegeven. Na lang beraad heeft ze haar consent gegeven aan een huwelijk met Johan Assuerus Schorer (Middelburg 1690-1752), ‘die met vlyt zo lang / Haar hart bestreed, wyl zy, aan ‘t wyken, / Zyn min niet langer wederstreeft, / Maar hem een volle zege geeft,’ aldus opnieuw De la Rue. Schorer is een jonge jurist werkzaam in het Hof van Vlaanderen dat zetelt in de Abdij van Middelburg. Een bescheiden functie met een dito inkomen, maar Schorer heeft goede vooruitzichten en armlastig is hij zeker niet.

Johan Assuerus Schorer, Inst. Coll. NederlandBeide families zijn bekend met elkaar door een eeuw lakenhandel in de Zeeuwse hoofdstad. Het is desondanks geen vanzelfsprekendheid geweest, nog geen twintig jaar geleden hebben de families tegenover elkaar gestaan in de Middelburgse politieke strijd (1702-1704). Met de gelukkige overwinning van Maria’s hand lijkt de reeds rustende strijdbijl definitief begraven. 

Na Maria’s jawoord in het late voorjaar van 1718 zal het jonge paar een gezin stichten dat net zo snel groeit als haar man carrière maakt. In 1727 wordt hij benoemd tot ontvanger-generaal van Zeeland en is daarmee één van de hoogste ambtenaren binnen de Abdij, verantwoordelijk voor de financiële administratie van het gewest. De familie woont in de Wagenaarstraat aan de Balans, waar tevens zijn kantoor is gevestigd. Veel tijd zal men ook doorbrengen op de fraaie buitenplaats van haar familie aan de Seissingel, op de kruising met de Domburgse watergang - ‘De Griffioen’ komt haar uiteindelijk toe. ZI-II-2701-2De Schorers laten het huis en de tuinen aanmerkelijk verfraaien en naast het huis, aan de watergang, een fraaie theekoepel bouwen met in het stucwerkplafond hun beider monogrammen. Het staat er nog altijd. 

Dat ook in de achttiende eeuw de welgestelden niet voor tragedie worden gespaard, mag blijken uit Maria’s gezinsleven. Het gelukkig pad van haar groeiend gezin loopt door een waar tranendal. Haar drie enige dochters, aanvankelijk blakend van gezondheid, sterven zo plots en heftig aan toevallen dat het Maria's geloof zwaar beproefd moet hebben. Haar vierde kind breekt in zijn korte leven tweemaal zijn rechterarmpje, het knulletje wordt geen vier jaar oud. Een jaar later zal ze een zoontje van één jaar oud aan tering verliezen. Wellicht het meest traumatische overkomt haar in de zomer van 1729, wanneer zij in nachtelijke uren bevalt van een zoon die reeds twee weken is overleden.

Stuc koepelZes zonen zal Maria behouden, die veelbelovend opgroeien en die, zoals valt te lezen in alle gedichten ter ere van haar zilveren huwelijk, de grote trots zijn van hun ouders.

Terwijl haar man als hoge ambtenaar eerzaam en voortvarend voor het onderhoud en de toekomst van hun zonen zorgt, is het Maria die, onverwacht maar overweldigend, voor de financiële zekerheid zorgt. Met de dood van haar vader (1724) en stiefmoeder (1728) is zij tot haar ouderlijke erfenis gekomen, maar die heeft zij moeten delen, onder meer met haar enige broer. Cornelis van de Putte is een jonge regent, voornemens te trouwen met een aantrekkelijke partij en zijn aanstaande zwager heeft hem op voorhand al een bewindhebberszetel van de VOC-kamer Zeeland bezorgd, letterlijk een baan voor het leven. Zijn achterneef Pieter de la Rue schrijft aan een vriend dat Cornelis ’het toppunt der aardsche gelukzaligheid, in allen opzichte van wereldschen voorspoed, scheen beklommen te hebben.’ Tragisch is dan ook het lot, als hij op een avond naar huis lopend in de gracht valt en verdrinkt. Pas na enkele dagen vindt een vrouw hem, als zij meent een oude rok uit het water op te vissen. Cornelis is de laatste zoon van de familie en zo komt in 1730 nog meer van het Van de Putte fortuin bij Maria terecht. Als eerbetoon zal zij een jaar later haar zevende kind naar hem vernoemen.

Nog onverwachter is zes jaar later de dood van haar nicht Anna Catharina Mattheeusen die, zo aangedaan door de dood van haar moeder een maand eerder, aan een plotselinge toeval bezwijkt in januari 1736. Vierentwintig jaar, zonder testament en met een vermogen van achthonderdduizend gulden, waarin de weduwnaar - tot ieders respect en stomme verbazing - haar verwanten laat meedelen. Maria erft ruim anderhalve ton. Het is duidelijk: haar God bedeelt haar in het leven meer dan rijkelijk, zowel in goud als tranen.

Haar tweede zoon Hermanus Adriaan zal niet zoals zijn broers gaan studeren, hij gaat bij de marine. In de vroege winter van 1741 dient hij als kadet op de ‘Nassau’, terwijl zij de rede van Vlissingen afzeilen blijkt het oorlogsschip echter zo lek te zijn dat ‘pompen of verzuipen’ meer dan letterlijk genomen moet worden. Inmiddels waart aan boord ook een besmettelijke ziekte rond, waardoor er meer zieken dan capabelen zijn. Met grote moeite wordt Plymouth bereikt, waar uiteindelijk zestig doden worden geteld. De jonge kadet Schorer is levensgevaarlijk ziek. Zijn ouders doen alles om hun zoon terug te krijgen: ze laten hem naar Oostende overbrengen en sturen vanuit Zeeland een schip om hem daar op te halen. Hij is echter te zwak, het zal nog eens drie weken duren. Begin mei 1741 keert de kadet na drie hachelijke maanden huiswaarts. Zijn vader haalt hem uit de marine, maar al na twee maanden thuis zal hij zich voegen bij een regiment cavalerie, gelegerd in Venlo. Wat de jongeling schort is niet bekend, maar zijn avonturen hebben hem geen goed gedaan. Er is in februari 1742 noodzaak ontstaan voor zijn ouders om hem onder bewind te stellen. De situatie blijkt zo onhoudbaar te zijn, dat hij opgenomen wordt in een gesloten instelling in Delft. Hier zal hij tot aan zijn dood, vijfenveertig jaar later, blijven wonen.

Een jaar later (1743) viert het echtpaar Schorer het zilveren huwelijksjubileum met een fraai feest op ‘De Griffioen’. Voor deze bijzondere mijlpaal laten zij voor elk van de zes zonen bijzondere cadeaus maken. Althans, zo is het vermoeden, want slechts één van deze cadeaus is thans bekend. Aan hun derde zoon, Lucas Frederik, schenken zij een set van zes boeken in groot formaat, gevat in fraaie leren banden met in goud gedrukte decoraties zoals het alliantiewapen van het ouderpaar; lokaal vervaardigd door de vooraanstaande Rozettenrol Binderij. Als iets tot bewijs strekt van Middelburg als mondain centrum van luxe in Zeeland, dan is het wel dit cadeau.

In de nazomer van 1746 wordt Maria’s jongste zoon, David Isaac, getroffen door de pokken. Dat hij daarna samen met een broer in een koets te water raakt, doet zijn herstel geen goed. Davidje overlijdt op exact de dag dat hij twaalf en een half jaar oud is.

Inmiddels zijn haar vier andere zonen studerend of reeds aan een carrière begonnen. 

Maria is inmiddels de vijftig gepasseerd en in goede gezondheid, al gaat haar zicht achteruit. Wanneer de familie met een statenjacht naar Den Haag reist wordt er een praktische tussenstop gemaakt in Rotterdam bij een oogarts. Uit onderzoek blijkt Maria staar te hebben. Ze ondergaat de risicovolle ingreep van ‘het lichten van het schel of vlies’. De ingreep lijkt aanvankelijk geslaagd, maar toch trekt het vlies wat omhoog. Een tweede operatie wordt nog maar even aangehouden, omdat zij eerst maar eens wil zien hoe dat verloopt bij andere patiënten. Haar man is reeds zestig en hem vergaat het fysiek veel moeizamer. Schorer gaat gebukt onder podagra (jicht). Het is een kwaal waar hij al langer onder lijdt. Aan een Friese neef schrijft hij laconiek dat hij toch wel opknapt en zelfs weer wat vaker uitgaat, hoewel ‘schoon [ik] geen harddraver ben of worden sal’. Maar de aandoening verergert en het werk wordt daardoor ernstig gehinderd. Hun oudste zoon Johan wordt formeel aangesteld als zijn vaders secondant - en zal uiteindelijk het ambt overnemen.

Met deze moeizame gang naar de ouderdom komen we tot het meest persoonlijke verhaal dat over Maria bekend is: haar dagboek van maart en april 1752. Ze beschrijft hierin een gemoedelijk familieleven met rijtoertjes, visites en bijna dagelijkse kerkgang (op zondag driemaal). Zoals op 8 maart, toen ‘(...) hebben onse kinders bij ons gegeten en ook des avonds, Veerse Oesters, de Heer zij gelooft, voor al het goede dat hij ons dagelijks vergund (...).’ Het blijkt een stormachtig voorjaar, Schorer gaat vermoeid gebukt onder jicht. Eind maart gaat het niet goed, want ‘(...) mijn man tans meest inde selve swakheijt kunnende seer weijnig doen, of is ten eersten af. Wat hier van de uijtkomst zal zijn is den Heere alleen bekend, maar mijn hert is menigmaal seer bekommerd, en beklemd. Ik ben heeden niet uijt, maar op de solder besig geweest.’ Ook de volgende dag is ze daar nog wat bezig, maar ook is haar man de hele dag op - en nog wel zonder tussentijds te rusten, de eerste april is daarom ‘een aldercharmansten dag’. Twee dagen later, wanneer een van de zonen met zijn vrouw wegens hun reis naar Holland, afscheid komen nemen, raakt haar man geëmotioneerd en zeer vermoeid, Maria maakt zich steeds grotere zorgen. Schorer kan slecht uit de voeten, heeft groeiende pijnen in zijn rechterhand en raakt kortademig, maar hij stelt de bezoekjes van de zonen en familieleden zeer op prijs. Maria ziet haar man met de dag verzwakken en komt tot het besef dat zij hem kan verliezen. Hoopvol bidt ze voor een verlossing, ook al betekent het dat ze mogelijk haar geliefde echtgenoot van vierendertig jaar moet gaan missen. Ze zorgt en waakt bij hem. De dominee komt nu aan huis, het is een komen en gaan van meelevende familie en vrienden. Alle steun ten spijt, zal het uiteindelijk toch gebeuren.

’Ag, ag, mijn lieve man die heeft God weggenomen. Ik zal wel tot hem gaan maar hij niet tot mij komen. De Heere wil er mij toe bereijden. / Zaterdag nagt den 15 April ontrend ¼ voor 12 ueren heeft mijn lieve man mij en al ‘t ondermaansche verlaten; het tijdelijke leven afgelegt om ’t Euwige leven aan te vangen, daar hij zo lange na had verlangt. Nu is zijn sterven geworden erven, nu rust hij op zijn slaapstede (...).’

Zes dagen later wordt haar echtgenoot bijgezet in het familiegraf van de Schorers, in de Nieuwe Kerk.

Haar oudste zoon en zijn gezin zijn inmiddels in het stadshuis met kantoor aan de Wagenaarstraat gaan wonen. Als weduwe zal Maria meest op ‘de Griffioen’ wonen, waar ze uiteindelijk zal sterven in September 1764, zesenzestig jaar oud. Over haar eigen verscheiden is niets bekend, dan alleen dat zij na twaalf jaar weer met haar echtgenoot is verenigd - haar kist wordt bijgezet in de Nieuwe Kerk. Maria laat uiteindelijk vijf zonen en vijftien kleinkinderen na, een familie die nog veel groter groeien zal.

Wat nog mist, is haar portret. Het heeft bestaan: nog in de jaren 1890 wordt het genoemd, maar in de laatste eeuw is het verdwaald of verloren geraakt. Wellicht dat het alsnog ooit opduikt. Tot die tijd moeten we het doen met het beeld van haar als jonge vrouw, zoals haar bij het huwelijk in 1718 toegedicht door neef Vegelin - ze was net twintig toen hij haar omschreef als ‘die schonen Phenixbloem van Zeelands lustprieel.’

Jeroen-Martijn H. van Haart


Bronnen:
J.M.A.T.F. H. van Haart, Zeeuwse Elite (onderzoeks-database)
KZGW, Handschriftenverzameling, inv.nr. 3893
Zeeuws Archief (Middelburg), Familiearchief Schorer, diverse inventarisnummers
A. Wiggers (e.a.), Een cadeau van hoog niveau uit 1743, Middelburg 2023

Gerelateerd

Dagboek Maria Johanna Schorer-van de Putte

Hs 3893

Wapen Johan Assuerus Schorer

ZI-III-0670

Gerelateerde dossiers

Journaal van mijn reis door Vrankrijk

Een reisje door Duitsland in 1862

Bericht uit het leger van Napoleon (1)

Bericht uit het leger van Napoleon (2)

Herinnering aan Mr. S. de Wind

Napoleon in Middelburg en Domburg in mei 1810

Wat vermag een vrouw

Beterschap

In dienst van de Garde Impériale

Een reisje naar Axel

Proeven met stinkhout

Brief uit Parijs

Reisje over de Surinamerivier in 1816

Londen in 1790/1791

Semen sabadillies

Vier Romeinse oudheden

Plunderingen in Middelburg in 1787

Kort Verhaal van een geweldig oproer voorgevallen binnen Middelburg in Zeeland van Vrijdag 29 junij

Journaal, gehouden op eene reis van Rotterdam naar Batavia en terug, met het Fregatschip Soerabaya,

Advies betreffende overspel van een predikant rond 1755

Dagboek Maria Johanna Schorer-van de Putte

Strafexpeditie naar de westkust van Guinea 1869

Twee zeldzame voorwerpen

Inzet van Europeanen als arbeiders in Suriname

De invasie van het Mogolse rijk in 1738

Verslag van beschietingen bij Aardenburg van 1 mei 1794 tot 13 januari 1795

Verzuchting van een afgewezen kandidaat

IJsvermaak in Kortgene

Castra Herculis of Witlam?

Zwerftochten langs de Westerschelde

Fietstocht in Zeeland

Kort berigt van het beroemd Eijland Taiowan

Bezoek koning Willem III aan het Zeeuwsch Genootschap in 1862

Jan Wier als bestrijder van het bijgeloof

Zeeland gekend uit Zijne Munten en Gedenkpenningen

Weeklacht van het stoomjacht Stad Middelburg

Spotdicht op het gezantschap naar Engeland in 1695

Overgave van Middelburg 1944

Een fiets